Belemmeringen bij leefstijlinterventie voor psychiatrische patiënten

Op 22 mei promoveert Jeroen Deenik aan de Universiteit Maastricht met een onderzoek naar beweging en leefstijl bij mensen met een ernstig psychiatrische aandoening (EPA). Het is noodzakelijk om stimulering van een gezonde leefstijl te integreren in de behandelcultuur, in plaats van enkel individuele motivatie en faciliteiten aan te bieden, stelt Deenik.
Leefstijlgeneeskunde
Met een actief dagprogramma met aandacht voor voeding, meer beweging, psycho-educatie en vaardigheidstraining, wordt een gezondere leefstijl gestimuleerd onder mensen met EPA.
RAPPORT

Het promotieonderzoek van Deenik ‘Thinking

Premium

Wilt u dit artikel lezen?

U heeft helaas geen geldig abonnement op dit account. Neem een proefabonnement of sluit een abonnement af om dit artikel te kunnen lezen.


  • Onbeperkt alle premium artikelen en rapporten lezen
  • Online de artikelen uit het magazine lezen

Al abonnee? Log dan in

Rapport informatie

Rapport naam:
Thinking inside the box: changing lifestyle to improve the health status of inpatients with severe mental illness
Sector:
GGZ
Soort:
Onderzoek / Wetenschap
Afkomst:
Universiteit Maastricht
Auteur:
Jeroen Deenik
Aantal pagina’s:
220
Verschijningsdatum:
6 april 2019
Samenvatting:

Mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) hebben naast geestelijke gezondheidsproblemen ook een slechte lichamelijke gezondheid. Zij leven tot 20 jaar korter dan de algemene bevolking. Lichamelijke aandoeningen zijn de belangrijkste oorzaak van deze kortere levensverwachting. Deze worden veroorzaakt door verschillende factoren die met elkaar interacteren waaronder een biologische kwetsbaarheid, slechtere lichamelijke gezondheidszorg, bijwerkingen van medicatie, en een ongezonde leefstijl met veel roken, weinig beweging en ‘slechte’ eetgewoonten. Deze ongezonde leefstijl heeft het grootste potentieel om verbetering in de slechte gezondheid van mensen met EPA te brengen.
De laatste jaren is er een toename in onderzoek naar interventies om de leefstijl van mensen met EPA te verbeteren. Veel van deze onderzoeken hebben zich gericht op de ambulante zorg, en er is nog weinig bekend over leefstijlverandering in de klinieken. Daarnaast heeft voorgaand onderzoek zich vooral gericht op de werkzaamheid en niet zozeer op hoe een gezonde leefstijl geïmplementeerd en volgehouden kan worden in de dagelijkse praktijk. Dit draagt bij aan de kloof tussen onderzoek en de praktijk, en daarom is het belangrijk om onderzoek te doen naar belemmerende en bevorderende factoren bij de implementatie van leefstijlinterventie. Het gebrek aan kennis over verandering van leefstijl in de langdurige klinische zorg was de aanleiding voor dit proefschrift.

Sedentair gedrag en mate van beweging bij mensen met EPA

In hoofdstuk 2 wordt het zit- en beweeggedrag van langdurig opgenomen patiënten met EPA onderzocht. De eerste grootschalige studie, waarbij met beweegmeters het zit- en beweeggedrag werd gemeten, liet zien dat patiënten (N = 184) gemiddeld 84% van de tijd dat zij wakker waren sedentair doorbrachten en weinig bewogen. Hoofdstuk 3 toont aan dat patiënten die meer bewegen een hogere kwaliteit van leven hebben. Opvallend was de bevinding dat de mate waarin patiënten een positieve attitude hadden ten aanzien van beweging geen verband hield met de objectief gemeten hoeveelheid beweging.

De MULTI-studie

De MULTI-studie evalueert een multidisciplinaire leefstijlbevorderende behandeling voor opgenomen patiënten met EPA. Een team van verpleegkundigen/begeleiders, psychiaters, teamleiders, activiteitenbegeleiders en een diëtist implementeerden MULTI met als doel de leefstijl te verbeteren. In deze aanpak staat het verminderen van zit- en liggedrag, meer bewegen en het verbetering van eetgewoonten centraal, met als basis een duidelijke dagstructuur: op tijd opstaan, gezamenlijk maaltijden nuttigen, en een actief programma met aandacht voor voeding, meer beweging, psycho-educatie en vaardigheidstraining. Na anderhalf jaar zijn veranderingen in de gezondheid geobserveerd van zowel patiënten die MULTI volgden, als patiënten die de gebruikelijke behandeling volgden. Tevens zijn belemmerende en bevorderende factoren ten aanzien van de implementatie van MULTI in kaart gebracht.
Hoofdstuk 4 laat zien dat de patiënten die MULTI volgden na anderhalf jaar significant meer bewegen, en een afname hadden in gewicht, buikomvang en bloeddruk. Er was echter geen verandering zichtbaar in de psychotische symptomen. In hoofdstuk 5 is te lezen dat naast positieve veranderingen in lichamelijke gezondheid,  ook verbeteringen zijn gevonden in psychosociaal functioneren en kwaliteit van leven. Hoofdstuk 6 laat daarnaast een significante afname zien van voorgeschreven doses psychotrope medicatie in vergelijking met de gebruikelijke behandeling.
Het onderzoek naar de implementatie van MULTI laat zien dat zowel patiënten als medewerkers behoefte hadden aan meer tijd en mogelijkheden om het dagprogramma toe te spitsen op iemands capaciteiten, doelen, wensen en interesses, zoals hoofdstuk 7 beschrijft. De implementatie werd bevorderd door een positieve houding van zowel medewerkers als patiënten ten aanzien van zo’n geïntegreerde aanpak en hun eigen rol daar in.

Discussie

De MULTI-studie is het eerste onderzoek dat op de langere termijn positieve veranderingen laat zien in de gezondheidstoestand en het medicatiegebruik van mensen met EPA in de klinische zorg. Het laat zien dat binnen de huidige kaders van de psychiatrie verbetering bereikt kan worden in de leefstijl en gezondheid van mensen met EPA. De positieve verandering is in belangrijke mate te danken aan de integrale aanpak, ingevuld door het behandelend en begeleidend team. In deze multidisciplinair samenwerking zijn het gebruik van meerdere activiteiten, toespitsen op interesses en mogelijkheden van de doelgroep en groepsbenadering met deelname van het team, belangrijke elementen.

Suggesties voor vervolgstappen in praktijk en onderzoek

De positieve uitkomsten suggereren dat een duurzame oplossing voor een gezonde leefstijl binnen handbereik is. Factoren vanuit de organisatie die verbeterd kunnen worden zijn het betrekken van alle lagen, inclusief hoger management, in aanvulling op het behandelteam, het garanderen van noodzakelijk voorwaarden in de implementatie van MULTI, zoals training en ondersteuning van zorgprofessionals en duurzame financiering, en het vormgeven en uitspreken van een eenduidige visie. Dit inside the box denken, zoals de titel van het proefschrift luidt, vereist samenwerking tussen alle disciplines die betrokken zijn bij de behandeling om specifieke aanpassingen in beweging en voeding te realiseren.
De kracht van deze aanpak is dat iedereen vanuit eigen expertise input kan geven, waarbij (para)medici, activiteitenbegeleiders en bovengenoemde disciplines de zorgprofessionals en patiënten op de afdeling kunnen ondersteunen. Door de input van patiënten mee te nemen in de besluitvorming, kan de interventie nog meer gepersonaliseerd worden, wat hun betrokkenheid en intrinsieke motivatie verder kan vergroten. Ook is het aan te raden in gesprek te gaan over dagelijkse uitdagingen. De invulling van goede zorg is niet altijd makkelijk te vertalen naar de dagelijkse behandeling. Ethische overwegingen, zoals de balans tussen de autonomie en keuzevrijheid van patiënten versus de ziekte-ernst en verantwoorde zorg, komen namelijk al snel aan bod bij leefstijlveranderingen.
Met betrekking tot vervolgonderzoek is de vraag of MULTI elders geïmplementeerd kan worden en of dit tot een vergelijkbare verbetering in gezondheid kan leiden. Een dergelijk onderzoek is belangrijk voor verdere opschaling van de aanpak binnen psychiatrische ziekenhuizen. In hoofdstuk 8 wordt de noodzaak benadrukt implementatiewetenschap erbij te betrekken. Dit om beter inzicht te krijgen hoe leefstijlinterventies in de behandeling van mensen met EPA geïntegreerd kan worden. Hierbij is het belangrijk om niet alleen de opzet van de interventie zelf en het perspectief van patiënt of hulpverlener te beschouwen maar ook factoren die de omgeving en of organisatie betreffen waarin een interventie geïmplementeerd wordt.
Daarnaast is een aantal specifieke onderwerpen relevant voor de praktijk die verder onderzoek behoeven. Zoals de relatie tussen leefstijlveranderingen en medicatiegebruik, de kosteneffectiviteit van leefstijlinterventies en de effectiviteit van interventies die zich richten op verandering in het professionele gedrag van zorgverleners om de leefstijl van hun cliënten te verbeteren.

 

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.