Beeldvorming over hervorming zorg is te negatief

De hervorming van de langdurige zorg is vanaf het begin in 2015 gepaard gegaan met veel ophef in het politieke en maatschappelijke debat. Beelden van verschraling en verhalen van mensen die tussen wal en schip vallen, zijn in de media voortdurend herhaald. Daardoor is een te negatief beeld ontstaan over de decentralisatie.
Jan Coolen_450.jpg

Laten we beginnen bij het begin. Wat heeft de Rijksoverheid beoogd met hervorming van de langdurige zorg? De recente hervorming berust op vier leidende thema’s. Ten eerste de inzet om de zorg en ondersteuning beter te laten aansluiten op de vraag van mensen met beperkingen en daarbij goed te kijken naar wat mensen zelf kunnen met hun sociale netwerk. Ook moeten gemeenten een grote rol krijgen bij ondersteuning van mensen met beperkte zelfredzaamheid. Parallel daaraan moeten zorgverzekeraars meer armslag krijgen voor integrale eerstelijnszorg in de wijk, waarbij huisartsen samenwerken met de wijkverpleging en de ouderengeneeskunde. Verder blijft er voor mensen met blijvende ernstige zorgbehoefte – nabije 24-uurszorg is nodig – een wettelijk verzekerd recht op intensieve zorg via de Wet langdurige zorg (Wlz). Tot slot moet de kwaliteit van zorg en ondersteuning op een goed niveau komen en moet tegelijkertijd op langere termijn de betaalbaarheid van langdurige zorg zijn geborgd. Daartoe wil de overheid de uitgavenontwikkeling in balans brengen met wat burgers opbrengen voor langdurige zorg via premies en belastingen.

Kostenbeheersing: minder meer
Aan de kant van de kostenbeheersing is vooral ingezet op beperking van de groei van zorguitgaven. Voor de gehele gezondheidszorg is in de periode 2010-2016 een stijging van 60 naar 80 miljard euro verwacht. Met nieuw beleid is die trend in de rijksbegroting omgebogen naar 70 miljard in 2016 voor cure en care samen; feitelijk blijkt dat ruim 73 miljard euro te zijn eind 2016. Voor de langdurige zorg waren de uitgaven aan het begin van dit decennium 25 miljard, en dat gaat naar 29 miljard aan het eind van het decennium; zonder beleid zou dat 32 miljard zijn – dit alles bij statische prijzen (RIVM, 2016).
Vermeldenswaard is nog iets anders: de uitgaven voor langdurige zorg en ondersteuning komen in Nederland op bijna 4 procent van het nationaal inkomen. De Nederlandse langdurige zorg is daarmee koploper in Europa. Het relatief hoge niveau van uitgaven komt overigens niet door zorg thuis – want die is in de Europese context ‘gemiddeld’ – maar door de omvang van intramurale zorg. Daarom kiest de overheid voor verdere verschuiving naar zorg thuis. Ondertussen kunnen we een gangbaar beeld van ‘bezuinigen’ corrigeren: op middellange termijn gaat niet minder geld naar langdurige zorg en ondersteuning, maar minder meer (uitgavengroei beteugelen).

Dossier Transitie langdurige zorg
De AWBZ is overgegaan naar de Wmo en de Zorgverzekeringswet. Ook de Participatiewet en de Wet jeugdzorg worden gedecentraliseerd. Hoe verloopt deze enorme stelselwijziging? Lees meer >> 

Klachten rond pgb
Wat ging er mis? Uit een inventarisatie van de samenwerkende cliëntenorganisaties Signaalrapport Dwalen tussen wetten en loketten kwamen vanaf 2015 tot april 2016 in totaal 16.385 meldingen naar voren. Deze klachten en signalen hadden overwegend betrekking op de lastige administratieve procedures rond het persoonsgebonden budget (pgb). Slechts een klein deel van de meldingen, een vijfde, had betrekking op langdurige zorg en ondersteuning; waarbij de kritiek is toegespitst op de Wmo. Vooral op het ‘keukentafelgesprek’ waarin wijkteams of ambtenaren de vraag van de burger bespreken. Persistente knelpunten zijn vooralsnog niet aangetroffen, afgezien van perikelen rond het pgb-beheer (een beleid dat los van de ‘hervorming’ was ingezet).
Ook het vermoeden van een problematische toegang klopt niet. Sommige onderzoekers stelden in 2016 dat de toegang moeilijk zal zijn voor kwetsbare ouderen, maar landelijke monitoring van de NZa en ZiNL geeft hiervoor geen aanwijzingen. Wel knelt iets anders: gebrek aan afstemming bij mensen met complexe problemen.

Tussenbalans van de zorghervorming
Met de hervorming van langdurige zorg is een soort ‘ruilverkaveling’ doorgevoerd met een bredere rol voor gemeenten (ondersteuning bij zelfstandig wonen), een grotere regie voor zorgverzekeraars bij samenhangende eerstelijnszorg (huisarts, wijkverpleging, verzorging), en een landelijke regeling voor 24-uurszorg met keuzeruimte voor belanghebbende mensen. De herschikking van zorgfuncties is overzichtelijk in opzet hoewel soms vragen over afbakening rijzen (wat hoort waar bij uitgebreide zorgbehoeften: Wmo, Zvw of Wlz). Tegelijk ontstaat beweging door vernieuwingsprogramma’s op het vlak van ondersteuning thuis, en kwaliteit van 24uurszorg (verpleeghuizen). De kwaliteitsimpuls berust op een nieuw paradigma: zorg richten op de kwaliteit van bestaan die de persoon wenst, en beroepskrachten beter toerusten voor ‘persoonsgerichte zorg’ (Vilans, 2014).

Hoe dit alles uitpakt in komende jaren blijft nog spannend. Vooralsnog zien we het volgende:

  • een lichte verschuiving naar informele zorg is mogelijk;
  • er ontstaat eerder een trend naar ‘meer zelfbetaalde ondersteuning’ dan naar ‘meer familiezorg’;
  • wel ontstaat een flinke verschuiving van intramurale voorzieningen naar zorg thuis, samen met initiatieven tot onderlinge steun in wijknetwerken;
  • bij dit alles is in recente jaren geen probleem met toegang tot formele zorg ontstaan, noch tot de wijkverpleging, noch tot de intramurale ouderenzorg;
  • wel is een forse krimp in de huishoudelijke hulp in gang gezet (en die gaf veel onrust) vanuit de idee dat ouderen in de toekomst hun woonservice zelf betalen;
  • aanbieders klaagden over een te krap budget (en dreigende patiëntenstop), maar volgens landelijke monitoring zijn er weinig signalen dat mensen echt in de problemen kwamen;
  • de groei van de zorguitgaven is afgeremd, voorgenomen bezuinigingen zijn afgezwakt, het financieel kader voor langdurige zorg aan ouderen blijft op een hoog peil in de Europese context;
  • er is een cultuurverandering doorgevoerd waarbij zorgverleners beter kijken naar ‘wat de persoon zelf kan doen’ en naar herstel van zelfredzaamheid;
  • gemeenten zijn niet allemaal doortastend bezig met een passende invulling van lokale ondersteuning maar er is een trend naar overwegend wijkgericht maatwerk (9 op de 10 gemeenten heeft wijkteams) en de geboden hulp is in 2016 door 80 procent van de gebruikers als (ruim) voldoende beleefd.

Jan Coolen is zelfstandig onderzoeker. Hij werkte eerder in leidinggevende functies bij de cliëntenbeweging, de zorgverzekeraars en de langdurige zorg in de grote stad.
Dit artikel is een ingekorte bewerking van het essay ‘Langdurige zorg – Een onbevangen taxatie van de ingrijpende hervormingen’ dat in december 2016 is verschenen in Geron, Tijdschrift over ouder worden & samenleving.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.