De zorg kan zich geen misverstanden over jonge zorgprofessionals permitteren. Toch horen we nog vaak dat jongeren minder werkmentaliteit zouden hebben, sneller uitvallen of minder veerkrachtig zijn. Dat frame is onterecht en staat oplossingen in de weg.
Wie jonge zorgprofessionals wil behouden, moet verder kijken dan dit soort aannames. Dat jonge medewerkers nadenken over grenzen, werkdruk en hoe zij dit vak gezond kunnen volhouden, is geen gebrek aan werkmentaliteit. Integendeel. Veel jonge zorgprofessionals beginnen juist met grote motivatie aan hun loopbaan. Ze hebben bewust gekozen voor betekenisvol werk, vaak na een intensieve opleiding. Juist daarom is het zorgelijk dat zoveel van hen al vroeg twijfelt over werken in de zorg.
Cijfers gaan niet over motivatie
Uit onderzoek van Stichting IZZ blijkt dat 25 procent van de jonge zorgprofessionals vaak of altijd mentaal uitgeput is. Bij zorgprofessionals boven de 35 jaar ligt dat aandeel tussen de 12 en 15 procent. Ook fysieke uitputting komt vaker voor: 21 procent tegenover 16 procent bij oudere collega’s (Stichting IZZ, 2025). Die cijfers zeggen iets over de omstandigheden waarin jonge mensen hun werk doen. Dat thema wordt extra urgent omdat 51 procent overweegt naar een andere zorgorganisatie over te stappen en 40 procent de zorg zelfs overweegt te verlaten (Stichting IZZ, 2025).’
Wat wij in de praktijk zien, sluit bij die cijfers aan. Jonge zorgprofessionals krijgen vaak vroeg veel verantwoordelijkheid, terwijl de begeleiding daaromheen niet altijd meegroeit. De overgang van opleiding naar praktijk is groot: zij moeten snel zelfstandig meedraaien in krappe teams, met hoge werkdruk en beperkte ruimte om rustig te landen. Het risico ontstaat daarbij dat uitputting wordt gezien als een individueel probleem, terwijl het vooral iets zegt over de manier waarop het werk is georganiseerd.
Eerst je plek vinden
Daar komt bij dat jonge zorgprofessionals hun plek in het vak en in de organisatie vaak nog moeten vinden. Zo kan de samenwerking tussen beroepsgroepen ingewikkeld zijn. Een jonge arts kan formeel eindverantwoordelijk zijn, terwijl een ervaren verpleegkundige veel meer praktijkkennis heeft. Dat kan onzeker maken en leiden tot ongemakkelijke verhoudingen, zeker in een cultuur van doorgaan en weinig vragen stellen.
Juist daarom is die cultuur binnen organisaties zo belangrijk. Jongeren leren in hun opleiding steeds vaker om zich uit te spreken. Dat is waardevol. Maar als zij daarna terechtkomen in een organisatie waar nieuwe ideeën worden afgewimpeld en steun vooral inhoudelijk is georganiseerd, ontstaat spanning. Dan worden mondigheid en kwetsbaarheid al snel als lastig gezien.
Ruimte maken voordat jongeren afhaken
Behoud van jong zorgtalent vraagt daarom om actieve betrokkenheid. Dat begint bij een goede landing in het team. Geef jonge medewerkers een buddy die verder kijkt dan protocollen en werkzaamheden. Iemand die regelmatig vraagt hoe het gaat, wat lastig is en waar iemand tegenaan loopt. Plan dat contact ook na drie, zes en twaalf maanden. Juist dan komen vaak de vragen die iemand in het begin nog niet durfde te stellen.
Daarnaast helpt het om jonge zorgprofessionals periodiek met elkaar in gesprek te brengen. Bijvoorbeeld drie keer per jaar, begeleid door iemand die veiligheid biedt en signalen kan vertalen naar de organisatie. Laat hen bespreken wat energie geeft, wat uitput en waar zij tegenaan lopen. Zorg dat hun ervaringen serieus worden genomen en terugkomen in keuzes rond beleid en werkprocessen.
Luisteren en anders organiseren
Daar ligt ook een duidelijke rol voor bestuurders. Jonge zorgprofessionals willen gehoord en gezien worden, ook door de leiding van de organisatie. Structurele gesprekken tussen jonge medewerkers en bestuurders helpen om signalen eerder te herkennen en hun perspectief mee te nemen in keuzes over de organisatie.
Ook doen zorgorganisaties er verstandig aan om te kijken welke routines vanzelfsprekend zijn geworden en waar het werk anders kan. In veel organisaties gaat de meeste aandacht naar directe zorg, waardoor weinig ruimte overblijft voor begeleiding, herstel en ontwikkeling van zorgprofessionals. Toch is die ruimte vaak te vinden in bestaande werkprocessen. Denk aan scherpere triage op de spoedeisende hulp, zodat zorgvragen beter worden verdeeld. Of aan het spreiden van vaste zorgmomenten in de ouderen- en gehandicaptenzorg, zodat niet alle druk op hetzelfde moment in de dienst terechtkomt. Zo ontstaat meer rust en meer ruimte om jonge collega’s te begeleiden.
Kortom, de vraag is niet of jongeren stevig genoeg zijn voor de zorg. De vraag is of de zorg stevig genoeg georganiseerd is om jonge mensen vast te houden.
Door Marc Spoek, senior organisatieadviseur bij IZZ en Selma Boeve, trainee bij IZZ

