Blog: ‘Nieuwe Wtzi’ verbetert kwaliteit onvoldoende

De Tweede Kamer behandelt deze weken de nieuwe Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). De Wtza is een aanvulling op en uitbreiding van de bestaande Wet toelating zorginstellingen (Wtzi). Hoewel het doel van de Wtza – verbetering van de kwaliteit van zorg – goed is, schiet de nieuwe wet tekort in het realiseren van deze doelstelling. Met enige eenvoudige aanpassingen zou de effectiviteit van de nieuwe wet vergroot kunnen worden.
Wim Groot, hoogleraar gezondheidseconomie Universiteit Maastricht

De Wtza regelt dat alle nieuwe zorgaanbieders voortaan een meldplicht hebben. Voordat nieuwe zorgaanbieders kunnen starten met het verlenen van zorg, zijn ze verplicht zich te melden bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Door deze meldplicht komen nieuwe zorgaanbieders in beeld bij toezichthouders en worden ze bewust gemaakt van de (kwaliteits)eisen die in de zorg gelden. Verder regelt de Wtza dat de vergunningsprocedure voor de toelating van zorginstellingen wordt aangescherpt. Alle instellingen die medisch specialistische zorg leveren of zorg leveren op grond van de Zvw of Wlz en meer dan tien zorgverleners in dienst hebben, moeten voortaan over een vergunning beschikken. De aanscherping van de vergunningseisen zijn eveneens bedoeld om de kwaliteit van zorg te verbeteren.

De Raad van State (RvS) heeft een aantal kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel geplaatst. Zo vindt de RvS dat ook instellingen die alleen Wmo-zorg of Jeugdzorg aanbieden onder de Wtza zouden moeten vallen. De RvS is er ook niet van overtuigd dat een verplichting voor nieuwe zorgaanbieders om als onderdeel van de meldplicht een vragenlijst in te vullen zal leiden tot betere kwaliteit van zorg en beter toezicht op de kwaliteit.

Winstuitkering

De Wtza schiet op meer punten tekort. Een vergunning voor het leveren van intramurale zorg wordt alleen verleend aan een instelling die niet aan winstuitkering doet. De vergunning voor het leveren van medisch specialistische zorg wordt daarom verleend aan een stichting. Veel instellingen omzeilen dit verbod op winstuitkering door de activiteiten van de instelling onder te brengen in een besloten vennootschap (bv). Hierbij lopen alle inkomsten en uitgaven via de bv en vinden er in de stichting geen activiteiten plaats. Vrijwel alle zelfstandige behandelcentra voor medisch specialistische zorg kennen een dergelijke constructie. Ziekenhuizen hebben soms een deel van hun activiteiten in een bv ondergebracht. Ziekenhuizen en medisch specialisten zijn veelal gezamenlijk aandeelhouder in deze bv’s. Ook in de geestelijke gezondheidszorg komen deze constructies voor.

Het voordeel van deze scheiding tussen de juridische entiteit waar de vergunning is ondergebracht (een stichting) en de entiteit waar de zorgactiviteiten plaatsvinden (een bv), is dat het mogelijk wordt risicodragend kapitaal voor investeringen aan te trekken. De winstuitkering die bij risicodragend kapitaal hoort, wordt door velen echter als onwenselijk gezien. Recentelijk is over deze – al zeer lang bestaande – mogelijkheid voor winstuitkering enige ophef ontstaan.

Onvoldoende toezicht

Een belangrijker bezwaar tegen deze constructie dan dat het winstuitkering mogelijk maakt, is dat het toezicht op de kwaliteit van zorg erdoor wordt belemmerd. De vergunninghouder is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde zorg. De meldplicht in de Wtza zou hier ook aan bij moeten dragen. Echter, de bestuurders van de stichting waar de vergunning is ondergebracht, hebben geen invloed op de zorg die in de bv wordt geleverd. Doordat de zorgactiviteiten in een bv zijn ondergebracht, kan de vergunninghouder – de stichtingsbestuurders – geen toezicht houden op de kwaliteit van de geleverde zorg. De bv’s zijn meestal eigendom van een of meer directeuren/grootaandeelhouders (dga). In een bv met een directeur/grootaandeelhouder ontbreekt ook onafhankelijk intern toezicht op de kwaliteit. Omdat als alle middelen en alle beslissingen in een bv zijn ondergebracht, de rvt van de stichting daar niet of nauwelijks invloed op heeft.

Deze omissie in het toezicht op de kwaliteit van zorg is eenvoudig op te lossen door in het wetsvoorstel op te nemen dat alleen de vergunninghouder contracten met zorgverzekeraars en zorgkantoren mag afsluiten.  Zorgverzekeraars en zorgkantoren mogen dan niet meer met bv’s  contracteren, maar slechts met de niet op winst gerichte vergunninghouder, de stichting. Hierdoor krijgen de bestuurders en interne toezichthouders van de stichting meer invloed op de geleverde zorg en kunnen zij hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de kwaliteit van zorg beter nakomen.

Wim Groot, Hoogleraar gezondheidseconomie Universiteit Maastricht

2 REACTIES

  1. Het is nu al zo bij de ZBC’s dat uitsluitend de stichtingen worden gecontracteerd door de zorgverzekeraars. Geregeld in de ZVW. In de uitbestedingsovereenkomsten tussen stichting en BV is dan de verantwoordelijkheid en toezicht van het stichtingsbestuur op de kwaliteit van de dienstverlening uitgevoerd door de BV vastgelegd.

  2. Lees alle reacties
  3. een zorgverzekeraar zal de BV niet contracteren voor zorg, immers dat is meestal een BV zonder winstklem. De stichting is de partij die gecontracteerd wordt en daarmee verantwoordelijk voor de zorg die d.m.v. de uitbestedingsovereenkomst door de BV wordt verricht. In een goede uitbestedingsovereenkomst zijn afdoende kwaliteitsborgen ingebouwd. Stichting is immers eindverantwoordelijk. Zie ook relatie ziekenhuis (stichting) en MSB (coöperatie of maatschap).

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.