‘CIBG: stop met afvinken’

Wanneer een zorginstelling zorg wil aanbieden die op grond van de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg voor vergoeding in aanmerking kan komen, dient zij over een toelating te beschikken. Het CIBG, uitvoeringsorgaan van het Ministerie van VWS, geeft deze toelating af. Zij wordt slechts verleend indien de instelling aan bepaalde bij of krachtens de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) gestelde eisen voldoet.
Hanne-Lotte van der Meer
Marieke Kolsters

Transparantie-eisen

Het CIBG toetst onder andere de statuten van de zorginstelling en wel aan zogenoemde ‘transparantie-eisen’ die onder meer voortvloeien uit artikel 6.1 Uitvoeringsbesluit WTZi. Dit artikel bevat eisen ten aanzien van de bestuursstructuur van een zorginstelling en bepaalt in sub b dat het toezichthoudend orgaan van de instelling zodanig moet zijn samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar, de dagelijkse en algemene leiding van de instelling en welk deelbelang dan ook onafhankelijk en kritisch kunnen opereren. Het artikel schrijft tevens voor dat instellingen die rechtspersoon zijn deze onafhankelijkheidseisen moeten vastleggen in hun statuten.

In de praktijk beoordeelt het CIBG niet alleen of genoemde onafhankelijkheidseisen in de statuten zijn opgenomen; het CIBG verplicht tevens tot statutaire vastlegging van haar uitleg ervan. Deze uitleg volgt uit het document Transparantie-eisen WTZi dat terug te vinden is op de website van het CIBG. De Transparantie-eisen WTZi schrijven voor dat – onafhankelijk van de rechtsvorm van de zorginstelling – in de statuten moet staan dat de leden van het toezichthoudend orgaan (RvT) geen directe belangen hebben bij de zorginstelling en dat het niet is toegestaan dat een RvT-lid (dan wel zijn echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de tweede graad) voldoet aan een zevental nader omschreven omstandigheden die duiden op afhankelijkheid.

Onze ervaring is dat het CIBG bij zijn beoordeling van statuten een afvinkmethode hanteert. Deze opstelling leidt er in de praktijk toe dat de toelating niet wordt verleend indien de statuten de hiervoor bedoelde tekst niet woordelijk bevatten, ook al kan zonder opname van (één of meer van) deze voorwaarden door de instelling onafhankelijkheid wel degelijk voldoende worden gewaarborgd. Gezien het belang van het verkrijgen van een toelating conformeren zorginstellingen zich veelal aan de eisen van het CIBG.

Nota van Toelichting

Het CIBG baseert zijn werkwijze vermoedelijk op de Nota van Toelichting op het Besluit van 30 oktober 2007, houdende de tweede wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi (NvT). In de NvT wordt bij de wijziging van artikel 6.1 Uitvoeringsbesluit WTZi melding gemaakt van de invulling die aan het begrip onafhankelijkheid wordt gegeven in onder andere de inmiddels herziene Corporate Governance Code 2003 en de NVZ-Governancecode. Deze laatste code is vervallen met de totstandkoming van de Zorgbrede Governancecode 2005. In de NvT worden de zeven omstandigheden opgesomd, ontleend aan genoemde codes, die het CIBG gebruikt bij de toelatingstoets.

De NvT vermeldt dat het instellingen vrij staat zich tot de hoofdlijnen te beperken voor wat betreft de statutaire vastlegging van ‘elementen van de bestuurlijke organisatie’. Volgens de NvT strekt artikel 6.1 Uitvoeringsbesluit WTZi ertoe te expliciteren welke van deze elementen in de statuten moeten worden vastgelegd, namelijk die elementen die over het algemeen toch al in statuten worden omschreven. Details mogen worden opgenomen in een op de statuten berustend reglement.

Dit maakt dat wij ons afvragen of het CIBG bij zijn beoordeling wel verder kan gaan dan de toets of artikel 6.1 sub b Uitvoeringsbesluit WTZi (zijnde de hoofdlijn) in de statuten is opgenomen en of hij statutaire vastlegging van zijn uitleg van de onafhankelijkheidseisen mag opleggen. Ligt het daarnaast niet meer voor de hand om een uitleg van de onafhankelijkheidseisen te hanteren die gebaseerd is op de (meest recente) Governancecode Zorg 2017, welke twee eigen andere onafhankelijkheidseisen in de artikelen 2.6.2. en 4.1.3. bevat.

Ten slotte merken we op dat in de sector gepleit wordt voor het afschaffen van afvinkgedrag en het weer centraal laten staan van de dialoog en zelfregulering. Wij menen dan ook dat het tijd is voor een herziening van het huidige beleid van het CIBG en de invoering van een meer actuele beoordeling van statuten bij de aanvraag van een toelating onder de WTZi.

Hanne-Lotte van der Meer en Marieke Kolsters, kandidaat-notarissen bij Loyens & Loeff N.V.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.