Declaratiefraude: samenloop van diverse rechtsprocedures

In een rechtszaak kunnen verschillende rechtsprocedures samenkomen. Een voorbeeld is de casus waarin een apotheker trachtte een strafrechtelijke veroordeling te voorkomen, met als resultaat dat hij volgens het tuchtrecht schuldig bevonden werd en zijn BIG-inschrijving verloor.
mr_drs_MLM_van_de_Laar450.jpg

Op 6 juli 2017 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) uitspraak gedaan in een zaak waarin een zorgverzekeraar stelde dat een apotheker zich schuldig had gemaakt aan declaratiefraude (ECLI:NL:TGZCTG:2017:201). De apotheker ontkende dit en was van mening dat een oordeel over fraude is voorbehouden aan de strafrechter. Het regionaal tuchtcollege nam dit laatste standpunt niet over en legde doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register op. De apotheker ging daartegen in beroep. Het CTG verwierp dit beroep en handhaafde de maatregel van doorhaling, die daarmee definitief werd. Dit betekent dat de aangeklaagde het recht verliest de titel van apotheker te voeren en ook niet langer aan apothekers voorbehouden handelingen zelfstandig mag uitoefenen.
De uitspraak is onder meer interessant vanwege de samenloop van diverse juridische procedures. Het regionaal tuchtcollege had in eerste instantie al verwezen naar deze samenloop: het civiele recht, het strafrecht, het bestuursrecht en het tuchtrecht. Daaraan kan overigens – los van deze zaak – het arbeidsrecht toegevoegd worden. De zorgverlener kan immers een dienstverband hebben. In de onderhavige zaak speelde dit echter niet.

Civielrechtelijke context
Uit de uitspraak van het CTG blijkt dat er allereerst sprake was van een civielrechtelijk geschil tussen de zorgverzekeraar en de apotheker. Naar aanleiding hiervan had de rechtbank de apotheker veroordeeld tot het vergoeden van door de zorgverzekeraar geleden schade. De zorgverzekeraar had deze uitspraak aan de tuchtklacht ten grondslag gelegd. Voor zowel het regionaal tuchtcollege als het CTG dient een uitspraak van de civiele rechter bij de tuchtrechtelijke beoordeling te worden betrokken. De uitspraak vormt vervolgens een ‘verhoogde motivatieplicht’ voor de aangeklaagde om een en ander te betwisten. 

Verder blijkt uit de uitspraak van 6 juli 2017 dat sprake was van een ‘vaststellingsovereenkomst’ tussen de zorgverzekeraar en de apotheker. Dit zijn afspraken waarmee partijen zelf een geschil beëindigen en waarvan het de bedoeling is dat die afspraken slechts ter kennis blijven van de betrokkenen. Met de vaststellingsovereenkomst zijn blijkbaar niet alle procedures tussen partijen over het geschil beëindigd. In de uitspraak van het CTG staat over de overeenkomst: ‘De apotheker heeft met het sluiten van deze overeenkomst niet erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moedwillige declaratiefraude, maar wel dat hij sommen geld aan klaagster is verschuldigd wegens het indienen van declaraties waarvan achteraf is gebleken dat deze onterecht zijn.’ De overeenkomst, bedoeld om een einde te maken aan het civiele geschil, wordt de apotheker dus feitelijk tegengeworpen.

Strafrechtelijke context
Ook het Openbaar Ministerie volgde deze zaak: bij de zitting in eerste aanleg was, zo valt uit de uitspraak op te maken, een medewerker van het Openbaar Ministerie aanwezig. Voor de aangeklaagde apotheker was dat aanleiding zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Over het verloop van de strafrechtelijke procedure blijkt uit de uitspraak overigens verder niet. Dit neemt niet weg dat een (mogelijke) strafrechtelijke procedure een belangrijke rol speelt. Het CTG overweegt namelijk: ‘Hoewel de apotheker als eigenaar van de apotheken over de relevante informatie en/of stukken moet kunnen beschikken, heeft hij op alle punten nagelaten de feiten en omstandigheden die klaagster aan haar klacht ten grondslag heeft gelegd te ontzenuwen. Dat de apotheker dit heeft gedaan om te voorkomen dat de door hem gegeven informatie in een strafrechtelijke procedure tegen hem zal worden gebruikt, staat hem vrij, maar dat neemt niet weg dat het gevolg daarvan is dat in de onderhavige procedure als vaststaand, moet worden aangenomen dat de declaratiefraude heeft plaatsgevonden op de wijze als klaagster heeft betoogd.

Vrije bewijsleer
Dat de apotheker weigerde in te gaan op vragen van het CTG en volstond met het afleggen van een beperkte verklaring, werkte dus bepaald niet in zijn voordeel. Volgens het tuchtcollege had hij zich daarmee de kans ontnomen zich te verdedigen en staat aldus de declaratiefraude vast. Een vergaand oordeel, gezien ook de ingrijpende gevolgen voor betrokkene. Belangrijke kanttekening hierbij is wel dat dit oordeel enkel geldt voor de tuchtprocedure. Dit heeft te maken met de vrije bewijsleer die in het tuchtrecht geldt. In andere procedures gelden andere bewijsregels (en andere doelen). Wat dus in de tuchtprocedure als vaststaand wordt aangenomen, hoeft in de strafrechtelijke procedure nog niet zo te zijn. Iemand kan strafrechtelijk immers pas worden veroordeeld, als er wettig en overtuigend bewijs is. Dit is een striktere maatstaf.
De rechtsbijstandverlener en de justitiabele moeten zich goed bewust zijn van de samenloop. Waar zwijgen in het strafrecht gunstig kan zijn, kan dat in een andere procedure namelijk geheel anders zijn. De zaak van de apotheker laat dit duidelijk zien. Ook het verweer in een civiele procedure en de beslissing al dan niet een vaststellingsovereenkomst te sluiten zijn belangrijke keuzes, die invloed kunnen hebben op de afloop van een tuchtprocedure.

Mark van de Laar, Capra advocaten

 

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.