Artikel bewaren

U heeft een account nodig om artikelen in uw profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Terug naar ‘normaal’ deel 4: Besluitvorming en uitvoering coronabeleid na de zomer

Hoe kan Nederland na de ernstige coronagolven het normale leven weer zo goed mogelijk oppakken? Hoe ziet de nationale besluitvorming en advisering met betrekking tot het coronabeleid eruit als na het zomerseizoen opnieuw uitbraken optreden? In deel 4 van hun reeks artikelen doen volksgezondheidsexperts Guus Schrijvers, Wim Schellekens, Paul van der Velpen en Piet Melief hiervoor aanbevelingen.
Beeld: Photocreo Bednarek/stock.adobe.com

Hoe zijn beide wetten, de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de Wet veiligheidsregio’s (Wvr), in elkaar te schuiven, zodat zij elkaar versterken en improvisatie minder nodig is bij een volgende infectieziektencrisis?

Terugkijkend op de besluitvorming en uitvoering van het beleid tot nu toe in deel 3 van deze serie, constateren wij:

  1. Het OMT had een essentiële centrale functie.
  2. Het bestuurlijk afstemmingsoverleg (BAO) kwam niet uit de verf. Het Catshuis-overleg en het Veiligheidsberaad met de 25 voorzitters van de veiligheidsregio’s kregen een belangrijke functie.
  3. GRIP-stadia (4, 5 en GRIP-Rijk) (GRIP staat voor gecoördineerde regionale incidentbestrijdingsprocedure, red.), bedoeld om de ernst van de crisis te typeren, met de daarbij horende crisisbeheersing, werden niet formeel afgekondigd door de minister van Binnenlandse Zaken.
  4. Een evaluatiecommissie concludeert dat de Wet veiligheidsregio aan ingrijpende wijzigingen toe is.
  5. De regering wacht op de evaluatie van het coronabeleid voordat zij de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) gaat wijzigen.

Op de punten 2 en 3 heeft het kabinet zich niet aan de Wet publieke gezondheid, de Rivm-nota en het instellingsbesluit Bao) en Wet veiligheidsregio’s gehouden. Wij spreken geen oordeel uit of dit juist of onjuist was en of ‘nood breekt wet’ wel of niet opgaat. Dat moet maar blijken uit de lopende evaluatie van de Onderzoeksraad. Interessant zijn de afwijkingen wel. Kennelijk heeft jarenlange voorbereiding van de genoemde wetten door experts, beroepsorganisaties, ambtenaren, regering en Tweede Kamer wetgeving opgeleverd die op onderdelen niet werkte of niet bruikbaar bleek tijdens deze coronacrisis. Hieronder volgt een opsomming van de punten, waarover wij ons verwonderen.

1. Manier waarop minister van VWS regie voert

Volgens de Wpg (artikel 7 lid l) neemt de minister van VWS de regie, en kan hij de voorzitter van de veiligheidsregio ‘opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen’. Goed dat dit in de wet staat, maar virussen en bacteriën houden zich niet aan de grenzen van de veiligheidsregio’s. Moet de minister elke keer als hij een opdracht geeft met de afzonderlijke 25 voorzitters spreken? Of doet de voorzitter van het Veiligheidsberaad dat? Heeft deze formeel de positie om de andere 24 aan te sturen?

En hoe zit het dan met de aansturing van de 25 GGD’en? Elke afzonderlijke GGD wordt aangestuurd ten tijde van een pandemie door de voorzitter van de veiligheidsregio (artikel 6 lid 4), en niet door de minister. Dus moeten de 25 voorzitters, nadat zij een opdracht hebben gekregen, dezelfde opdracht doorgeven aan hun directeur Publieke Gezondheid? Een nogal omslachtige werkwijze ten tijde van een crisis. En als je die route bewandelt, hoe verhoudt zich dit tot de GRIP-procedures?

2. Ontbreken GRIP 4

Volgens de Wvr had het kabinet de ernst van de coronacrisis moeten aangeven met behulp van de GRIP-indeling. Bij afkondiging van ten minste GRIP 4 had het aanwijzingen kunnen geven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s. Voor de toekomst van het V&I- beleid (V&I staat voor vaccineren en maximaal inperken besmettingen, red.) levert dit ontbreken van GRIP 4 of hoger twee bezwaren op. Allereerst dat onduidelijk is bij wie bepaalde verantwoordelijkheden zijn belegd, zoals “wie is verantwoordelijk voor de intensieve bestrijding van een lokale besmettingshaard (een school, bedrijf). Bij het kabinet (volgens het bestaande beleid), bij de lokale gemeente (GRIP 1 t/m 3) of bij de Veiligheidsregio?
Het tweede bezwaar is dat onduidelijk is hoe de verantwoordelijkheden liggen tussen de kolom volksgezondheid en de kolom openbare orde en veiligheid. Wij raden regering en Tweede Kamer aan duidelijkheid te verschaffen over het hanteren van GRIP’s in het kader van een infectieziektenuitbraak.

3. Het OMT adviseerde het kabinet rechtstreeks

Het OMT trad op bij de varkensgriepuitbraak in 2009, de Q-koortsepidemie, de Ebola-uitbraak in West-Afrika in 2014, de influenza-uitbraak van 2017-2018. Het adviseerde toen de directeur-generaal Volksgezondheid van VWS. Die legde het advies voor aan het BAO (bestuurlijk afstemmingsoverleg van hoge ambtenaren dat ook externe niet-medische deskundigen kon raadplegen. Daarna kwamen stukken van OMT en BAO pas in het kabinet. Dat gaf daarna opdrachten aan het landelijk Operationeel Coördinatiecentrum. Wij zien om in verwondering over de afwijkende taakverdeling van OMT dat zijn adviezen aanreikte aan het Catshuis-overleg, het wettelijk beschikbare BAO geen rol speelde, het kabinet op maandagavonden een niet-wettelijk ingesteld beraad van voorzitters van 25 veiligheidsregio’s raadpleegde.

Voor het V&I-beleid na de zomer bevelen wij aan:

  1. Laat het OMT zich beperken tot het geven van medische adviezen aan het ministerie van VWS. Het kan zijn overtuigingskracht en daardoor ook het draagvlak ervoor vergroten door de (wetenschappelijke) onderbouwing van zijn adviezen openbaar te maken. Deze zijn dan achteraf toetsbaar via peer-review van collega-wetenschappers buiten het OMT. Het gaat hierbij vooral om de openbaarheid van de RIVM-rekenmodellen en de onderliggende aannames. Deze vormen immers mede de grondslag van de OMT-adviezen.
  2. Geef het BAO weer inhoud. Laat het BAO openbaar toetsbare adviesgremia voor de sociaal-maatschappelijke, economische en gedragsaspecten van de pandemie organiseren. Zoals gezegd, volgens de Wpg heeft het de bevoegdheid om zich te laten adviseren. Het kan dan komen tot goed afgewogen en onderbouwde openbare adviezen van verschillende departementen aan het kabinet, waarbij de argumenten en de dilemma’s duidelijk op tafel liggen.
  3. In elke crisis schuilt het gevaar van ‘kokerdenken’ en doorgaan op de ingeslagen weg, zonder kritische reflectie of dit terecht is en of geleerde lessen, ook uit het buitenland, niet moeten leiden tot beleidsaanpassingen. Organiseer daarom ‘constructieve tegenspraak’ en organiseer ook periodiek zogenoemde ‘in-action-reviews’, zoals de WHO adviseert en waarvoor deze ook richtlijnen heeft opgesteld.

4. Wie voert het beleid uit?

Zoals gezegd zijn het NCC (Nationaal Crisiscentrum, red.) en het LOCC de afgelopen vijftien maanden niet of nauwelijks geactiveerd. Improvisatie en voortdurende bijstelling van de operationele uitvoering van het coronabeleid was aan de orde van de dag. Wellicht hadden beide centra met hun grote logistieke competenties dit kunnen voorkomen. Het probleem is dat bij NCC en LOCC nauwelijks kennis over medische aspecten en zorgorganisaties aanwezig is. Hun competenties betreffen vooral de inzet van politie en brandweer en handhaving van de openbare orde en de fysieke veiligheid.
Het blijft van belang dat ter zake kundige mensen het coronabeleid uitvoeren. Het ligt voor de hand dat de 25 directeuren Publieke Gezondheid van de veiligheidregio’s en de elf voorzitters van de Regionale Overleggen Acute Zorgketen  (ROAZ’en) als eerste in aanmerking komen om het beleid uit te voeren, bij voorkeur binnen de al bestaande gremia van NCC en LOCC. Die tien ROAZ-regio’s sluiten dan goed aan op de tien politieregio’s. Het valt te overwegen de 25 veiligheidsregio’s terug te brengen naar tien. Wij merken op dat de recente AMVB (van 18 juni 2021 over een nieuwe inrichting van de ROAZ’en de samenwerking tijdens crises), de samenwerking tussen de directeuren Publieke Gezondheid en de genoemde voorzitters versterkt. Binnen de AMVB kan de patiëntenspreiding van het LCPS wellicht een wettelijke positie verwerven.

Suggesties voor verbeteringen

We zien in dit deel van onze serie om in verwondering over de vier punten waarop het kabinet afweek van de bestaande wetgeving. Wij doen suggesties voor verbeteringen in het coronabeleid na de zomer, te weten: 1. hantering van de bestaande GRIP-fasering voor toedeling van verantwoordelijkheden naar gemeenten, veiligheidsregio en rijksoverheid. 2. wezenlijke BAO-advisering aan het kabinet over bestuurlijke en politieke haalbaarheid van OMT- en andere adviezen en 3. uitvoering van het coronabeleid overlaten aan ter zake kundige mensen. Wij doen deze aanbevelingen om ‘normaal’ te kunnen leven met het coronavirus en om nieuwe brandhaarden en toename van besmettingen en de daarbij horende lockdown te vermijden.

In deel 1 van deze serie betoogden de auteurs dat er alle reden is om de beschikbare wettelijke middelen om het virus maximaal in te dammen te benutten. In deel 2 formuleerden zij zeven beleidsmaatregelen om het aantal besmettingen na de zomer te beperken. In deel 3 analyseerden zij hoe de Wet publieke gezondheid en de Wet veiligheidsregio’s sinds januari 2020 zijn toegepast.

Door: Guus Schrijvers, gezondheidseconoom, oud-hoogleraar Public Health
Wim Schellekens, voormalig huisarts, ziekenhuisbestuurder, hoofdinspecteur IGZ, lid RedTeam
Paul van der Velpen, oud-directeur GGD Amsterdam en thans Public health adviseur
Piet Melief, Chief medical officer van het Landelijke Coördinatiecentrum voor Patiënten Spreiding.

Met dank aan Willy van der Steen voor haar commentaar op eerdere versies van dit artikel. 

Geef uw reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.