Blog: Waarom psychiaters zich terugtrekken uit ggz-instellingen

In de media zijn meerdere redenen genoemd waarom professionele hulpverleners zich terugtrekken uit ggz-instellingen. Tom Kuipers bespreekt een dieperliggend motief. ‘Daarvoor moeten we terug in de tijd, naar de periode 1980-2000. Het gaat over geld, maar meer nog over imago.’

Artikel bewaren

U heeft een account nodig om artikelen in uw profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

De drijvende invloed van het geld vanuit de farmaceutische industrie en de overheid op wat er wel en niet gebeurde in zowel de academische als de perifere psychiatrische centra, nam vanaf de jaren tachtig enorm toe. Een voorbeeld: toen bij de universiteit waar ik werkte van overheidswege een grote som geld aankwam om grootschalig epidemiologisch onderzoek naar dementie te starten, werden de meeste andere studies gestopt. Ik moest toen een andere omgeving zoeken om daarmee verder te kunnen.

Het lukte gelukkig om een nieuwe plek voor ons onderzoek te vinden, maar al gauw raakte ik ook daar in de problemen door weer andere geldstromen, dit keer afkomstig van grote farmaceutische bedrijven die hun stempel drukten op welke studies er wel en niet konden plaatsvinden. Wel: de studies die bijdroegen aan de ontwikkeling van nieuwe antipsychotica. Niet: onderzoek naar neuropsychologische aspecten van het vermogen om zich mentaal in te spannen.

Win-win

Dit waren zonder twijfel enorme win-winsituaties; niet alleen de bedrijven maar ook de vakgroep werd er rijker van. Verder ontdekten de farmaceutische bedrijven dat sponsoring van de scholingsactiviteiten een gouden kans bood op effectieve marketing voor hun producten. In no time hoefde de congresganger geen eigen boterham meer mee te nemen en werd er ‘op niveau’ geconfereerd met buitenlandse key note speakers. De klinisch werkende onderzoekers sloten vriendschap met hen en gingen onderzoek internationaler uitvoeren en dat met veel succes.

Andere koers

Binnen de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie werden tussen ’90 en ’95 de secties aan de ontwikkeling van richtlijnen en protocollen gezet. Het bestuur vond dat van het allerhoogste belang, zij zag een kans om op te stomen naar meer eenheid van werken en transparantie voor het publiek en de politiek. Onze sectie Klinische Psychiatrie – waar ik toen actief aan deelnam – wilde daar ten dele in meegaan maar ook andere, meer op het ambachtelijke werk gerichte ontwikkelingen niet verwaarlozen. Die inzet faalde en heeft geleid tot het instorten van deze sectie, een enorme aderlating voor de klinisch werkende psychiaters.

Ook al behielden wij twijfels over de ingezette koers, we zaten vanaf dat moment niet meer aan de tafels waar de besluiten werden genomen. De enige manier om nog iets in de melk te kunnen brokkelen was om (geneesheer-)directeur te worden of bestuurder. Nogal wat collega’s kozen die richting, die hen verder van de werkvloeren bracht. In die periode nam ook het fuseren van GGZ-instellingen grote vormen aan. Dat op zich bracht nog meer behoefte aan uniformisering en standaardisering met zich mee. De ontwikkeling van EPD’s bijvoorbeeld nam een grote vlucht en ook hier verbond de zakenwereld zich met de GGZ.

In de psychiatrie werd gekozen voor aansluiting bij de DSM-classificatie van stoornissen. Dat hielp bij de standaardisering van ‘zorg-producten’ en stimuleerde de groei van in een stoornis gespecialiseerde afdelingen. Zij konden zelfs een ‘topzorg’-erkenning verwerven. Dat was moeilijker voor de generalistische opname- en crisisafdelingen. Niet alleen was de (dbc-)financiering van de crisispsychiatrie een probleem gebleven, ook waren het de plekken waar risico gelopen werd vanwege incidenten en calamiteiten.

Nog een voorbeeld: in het begin van de jaren 90 gaf ik met een collega uit de forensische psychiatrie workshops over faal- of mislukpatronen in de behandeling van moeilijke patiënten. De vraag was of het mogelijk was de mislukking van een behandeltraject in een vroeg stadium op het spoor te komen en dan – bijtijds – bij te sturen. Leiders uit de ggz-branche kwamen toen naar ons toe met het verwijt dat wij een negatieve bijdrage leverden aan het imago van ons vak. Of wij maar wilden stoppen met dit soort activiteiten en ons richten op de successen van de ggz. Terugkijkend was het onze fout dat wij hier gehoor aan hebben gegeven. We hadden gewoon door moeten gaan. Het is nu 20 jaar later gelukkig weer heel gewoon om failures te analyseren in kringen van professionals. Voor ‘briljante mislukkingen’ kun je zelfs een Award krijgen (zie briljante mislukkingen Award Zorg 2020 op 16 februari van dit jaar in Zeist).

Publiek imago

In al die jaren die ik heb gewerkt in de intensieve zorg, maatschappelijke opvang en forensische psychiatrie, werd kortom de hang naar een goed publiek imago een ondermijnende factor van belang. Je kunt dat een paradoxale ontwikkeling noemen, want de uitkomst was precies tegengesteld aan de bedoeling. Leidinggevenden kwamen steeds vaker uit andere bedrijfstakken en zij waren over het algemeen onhandiger in de omgang met specifiek psychiatrische problemen. De focus werd gericht op oplosbaarheid en genezing van stoornissen, op het vermijden van risico’s en op de maakbaarheid van psychische normaliteit. Mijn patiënten waren daar niet blij mee, zij merkten minder welkom in de zorg te zijn. De hang naar een goed imago schaadde ook de medewerkers van de algemene psychiatrie, die minder steun vonden bij hun superieuren en meer verwijten naar hun hoofd kregen, omdat er natuurlijk toch incidenten en klachten bleven komen.

Betrokkenheid

Waar het mij om gaat is dat het imago waar de GGZ naar zoekt steeds minder aansluit bij het dagelijkse werk, noem het de taak van de psychiatrie: proberen psychiatrische patiënten bij de samenleving te houden en schade te beperken door de ziektes en problemen zo goed mogelijk te behandelen of hanteerbaar te houden. Daar hoort bij dat dat soms mislukt. Een psychiatrie die daar professioneel en verantwoord mee omgaat verdient een goed imago.

De invloed van de geldstromen heb ik genoemd omdat geld zich nu eenmaal meer op haar gemak voelt in een veld van toppers dan in een veld met moeilijkheden.

Als de ggz-instellingen hun werkers willen behouden zullen zij – om te beginnen – moeten accepteren dat de betrokkenheid tussen verpleegkundige, psychotherapeut, psychiater met de moeilijkste patiënten iets positiefs is. Voor de risico’s die zij daar lopen, moeten zij geëerd en niet in de gaten gehouden worden.

Tom Kuipers,
psychiater, bestuursadviseur, trainer interactievaardigheden en coach

3 REACTIES

  1. Lees alle reacties

Geef uw reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.