Herstelondersteunende zorg meten

[Exclusief] Instellingen voor langdurende ggz bieden steeds vaker herstelondersteunende zorg. Daarbij worden cliënten gestimuleerd om zichzelf te helpen bij hun herstel. Met het meetinstrument ROPI kunnen medewerkers beoordelen of hun organisatie voldoende herstelondersteunende zorg biedt.
Herstelondersteunende zorg meten

Hoe kunnen cliënten in instellingen voor langdurende psychiatrie toch een zo normaal en zelfstandig mogelijk leven leiden? Wat is er nodig om ze zo veel mogelijk grip op en regie over hun eigen leven te laten krijgen? Hoe kunnen ze het beste worden begeleid naar – betaald – werk? Dit soort vragen spelen bij herstelondersteunende zorg, waarvoor instellingen voor langdurende ggz steeds meer oog krijgen.

Om te kunnen bepalen of een organisatie op koers ligt, kunnen managers, hulpverleners, ervaringsdeskundigen en stafmedewerkers van ggz-instellingen gebruikmaken van de ROPI, een afkorting van Recovery Oriented Practices Index. Deze van oorsprong Amerikaanse vragenlijst is vertaald en bewerkt door het Trimbos-instituut. Hier kunnen ggz-medewerkers trainingen volgen voor gebruik van de vragenlijst. Op 11 februari 2014 start een nieuwe training van een dagdeel plus een terugkommiddag, bedoeld voor evaluatie en feedback.

Wijdverbreid

Het concept ‘herstelondersteunende zorg’ is in de ggz inmiddels wijdverbreid, zegt Annemieke Hendriksen, wetenschappelijk medewerker bij het Trimbos-instituut en een van de trainers. ‘Het was een reactie, aanvankelijk vanuit de cliëntenbeweging, op de puur medische invalshoek. Bij herstelondersteunende zorg wordt de eigen kracht van cliënten zo veel mogelijk gestimuleerd. In de praktijk blijkt dit echter niet eenvoudig. Met de ROPI kunnen instellingen kijken waar en hoe verbetering mogelijk is.’

Meerwaarde

Hendriksen, werkzaam voor het programma Re-integratie, traint jaarlijks circa veertig ggz-medewerkers. Zij leren om de ROPI-vragenlijst als auditoren in hun eigen instelling af te nemen. Zij kijken daarbij ook naar beleidsdocumenten en geanonimiseerde behandelplannen van cliënten. Zo kunnen zij bepalen hoe de instelling het doet met de basale zorg en met inspraak van cliënten over hun eigen verblijfplek. En welke mogelijkheden er zijn voor dagbesteding en begeleiding naar betaald werk. Er is oog voor sociale contacten en deelname aan – maatschappelijke – activiteiten. Beschikt een instelling over herstel- of lotgenotengroepen en zijn er ervaringsdeskundigen in dienst? ‘Die spelen vaak een grote rol bij herstel van cliënten.’

Volgens Hendriksen is de meerwaarde van herstelondersteunende zorg dat het cliënten de kans geeft op een zo normaal mogelijk leven. ‘Dat biedt hoop en optimisme. Ondersteuning betekent niet per se dat iemand minder zorg nodig heeft, maar richt zich ook op de begeleiding naar werk. Dat kan op den duur ook de maatschappij kosten schelen.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.