RIVM: stijging zorgkosten kan leiden tot afname solidariteit

Naar verwachting blijven de zorguitgaven de komende decennia stijgen, ook na de piek van de vergrijzing rond 2040. Dat meldt het RIVM in een vandaag verschenen rapport. Deze stijging kan leiden tot een afname van de solidariteit in het zorgstelsel.
Beeld: Adobestock
RAPPORT

De vergrijzing blijft een belangrijke

Premium

Wilt u dit artikel lezen?

U heeft helaas geen geldig abonnement op dit account. Neem een proefabonnement of sluit een abonnement af om dit artikel te kunnen lezen.


  • Onbeperkt alle premium artikelen en rapporten lezen
  • Online de artikelen uit het magazine lezen

Al abonnee? Log dan in

Rapport informatie

Rapport naam:
Toekomstverkenning zorguitgaven 2015-2060 : Kwantitatief vooronderzoek in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Deel 1: toekomstprojecties
Sector:
Overig
Soort:
Onderzoek / Wetenschap
Afkomst:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Auteur:
RAA Vonk, HBM Hilderink, MHD Plasmans, GJ Kommer, JJ Polder
Aantal pagina’s :
72
Samenvatting:

In dit rapport is de mogelijke ontwikkeling verkend van de zorguitgaven naar leeftijd, geslacht, diagnose en zorgsector tussen 2015 en 2060. Hoewel de omvang van deze uitgaven verschilt per sector en ziektebeeld, leveren de projecties een coherent beeld op.

De zorguitgaven blijven naar verwachting stijgen, ook na de ‘piek’ van de vergrijzing rond 2035/2040. De invloed van demografische ontwikkelingen op de zorguitgavengroei na 2035 neemt snel af, maar deze afname heeft vrijwel geen effect op de gemiddelde jaarlijkse groei van ongeveer 2,8 procent per jaar.

Dit wordt vooral zichtbaar bij diagnosespecifieke projecties. Bij de projecties voor kanker en hart- en vaatziekten is de invloed van ‘overige groei’ veel groter dan demografische ontwikkelingen. Hierbij moet vooral gedacht worden aan de doorzettende intensivering van zorg, met name in de curatieve sector. Mensen komen door nieuwe diagnostiek en voortschrijdende medische kennis eerder in de zorg terecht, en worden daar ook langer en intensiever behandeld – bij chronische aandoeningen vaak een heel leven lang.

Bovendien gaan die behandelingen gepaard met steeds meer nieuwe, vaak dure, technologie of geneesmiddelen. Ook stijgen de zorguitgaven mee met de welvaart. We zijn als samenleving in staat om bij een stijgende welvaart (steeds) meer aan zorg uit te geven, en dat wordt ook gedaan omdat gezondheid immers een groot persoonlijk en maatschappelijk goed is. Daarbij hebben we ook een sterke maatschappelijke voorkeur. We besteden dit extra geld het liefste aan curatieve zorg.

Voor de ouderenzorg liggen de zaken anders. Daar hebben demografische ontwikkelingen een veel grotere invloed op de groei van de zorguitgaven en spelen technologische ontwikkelingen en stijgende welvaart een veel kleinere rol. Bij de ontwikkeling van de ouderenzorg zien we daarom wel degelijk een afname van de gemiddelde jaarlijkse groei na 2040 die samenhangt met vergrijzing. Dit zien we ook terug bij de projecties voor de zorguitgaven voor dementie.

Waar de uitgaven aan curatieve zorg blijven stijgen, vlakken de uitgaven aan ouderenzorg juist af. Dat betekent echter niet dat de toename van het aantal ouderen geen gevolgen heeft voor het maatschappelijk draagvlak en (financiële) draagkracht, als het gaat om de zorguitgavenontwikkeling. Het zwaartepunt van de uitgaven ligt immers bij ouderen, en hun aantal neemt sterkt toe.

Dit kan effect hebben op de solidariteit en solidariteitsbereidheid tussen leeftijds- en risicogroepen. De gezondheidszorg, en andere sociale regelingen, worden via een omslagstelsel gefinancierd. Ieder jaar worden de kosten bij de premiebetalers in rekening gebracht. Er wordt geen spaarpotje voor de toekomst gevormd. Iedereen gaat dus meebetalen aan de hoge kosten van de groter wordende groep ouderen.

De vraag is of men bereid is dat te blijven doen. Bovendien zal een groeiende gezondheidszorg ook steeds meer behoefte hebben aan personeel. Met name in de ouderenzorg – waar technologie een veel minder prominente rol speelt dan in de curatieve zorg – kan dit op termijn voor grotere personeelsproblemen zorgen dan de sector nu al heeft. Er zijn minder mensen beschikbaar om in de zorg te werken, en de mogelijkheden om dit met technologie op te vangen, lijken er vooralsnog niet te zijn.

De verschillen tussen de sectorspecifieke en diagnosespecifieke zorguitgavenprojecties illustreren nog een andere uitdaging. De sectorspecifieke projecties vertonen een gematigder groei dan de diagnosespecifieke projecties. Die gematigde groei lijkt vooral te worden veroorzaakt door het zorguitgavenbeheersingsbeleid van de afgelopen jaren, waarbij via hoofdlijnakkoorden de groei per sector wordt gereguleerd.

Deze ontwikkeling zien we niet terug in diagnosespecifieke projecties. Onder de gematigde groei van zorgsectoren, gaan blijkbaar veel grotere verschuivingen op diagnoseniveau schuil. Een goed voorbeeld hiervan is de ‘explosie’ die in de toekomstprojecties voor kanker te zien is. Concreet betekent dit dat binnen de uitgaven per sector – bijvoorbeeld de ziekenhuissector – een steeds groter aandeel zal worden besteed aan de behandeling van bijvoorbeeld kanker.

Hiervoor is alleen ruimte als bezuinigd wordt op de zorg voor andere aandoeningen. Dure aandoeningen kunnen daardoor de zorg voor ‘goedkope’ aandoeningen verdringen, met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit én toegankelijkheid van zorg als geheel.

De vraag is dus of met sectorspecifiek uitgavenbeheersingsbeleid in de toekomst nog veel kan worden bespaard, zonder dat dit ten koste gaat van de inhoud van zorg. De zorguitgavenprojecties die in dit rapport worden gepresenteerd hebben voor- en nadelen en gaan gepaard met (grote) onzekerheden.

Het is belangrijk om te benadrukken dat alle projecties gebaseerd zijn op het heden en trends uit het verleden: Wat kunnen we verwachten in de toekomst, als de huidige verdeling van zorguitgaven over leeftijd, geslacht, sector en diagnose constant blijft en de trends uit het verleden zich doorzetten? Het is geen gegeven dat die verdeling ook constant blijft. Sterker nog, dat is zelfs redelijk onwaarschijnlijk omdat de medisch-wetenschappelijke kennis, de zorgpraktijk en overheidsbeleid niet stilstaan.

Toekomstprojecties zijn daarom omgeven door onzekerheden. Deze onzekerheden worden groter naarmate de tijdshorizon van de verkenning verder in de toekomst ligt. Strategische verkenningen, zoals die in dit rapport zijn weergegeven, kunnen dan ook nooit een precieze voorspelling geven van de zorguitgaven in een bepaald jaar in de toekomst. Het gaat vooral om de lijn van ontwikkeling, en die geeft veel stof tot denken en handelen.

Geef uw reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.