Vorige maand publiceerde Efpia, de Europese brancheorganisatie van farma, zijn jaarlijkse scorelijst. Die vergelijkt de 27 EU-lidstaten en een handvol andere Europese landen als het gaat om wachttijden en beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen. Alhoewel een serieuze vergelijking eigenlijk niet mogelijk is omdat elk land een ander zorgsysteem heeft.
Cijfers benoemen vooral een aantal zaken níet
Nederland doet het volgens de Efpia-lijstjes behoorlijk, behalve als het gaat om de beschikbaarheid van nieuwe medicijnen tegen kanker. Ruim de helft van alle nieuwe middelen die de afgelopen paar jaar in Europa op de markt is gekomen, is volgens Efpia in Nederland niet beschikbaar voor kankerpatiënten. Dat klinkt misschien schrikbarend, zeker voor patiënten en hun naasten. Maar deze cijfers benoemen vooral een aantal zaken níet. Allereerst de keuze van de Nederlandse overheid en ook van artsen en verzekeraars, om niet elk nieuw geneesmiddel toe te laten. Omdat nieuw níet altijd beter is.
Geneesmiddelen waarvan de effectieve werking en meerwaarde voor de patiënt vaststaat, willen we vanzelfsprekend zo snel mogelijk beschikbaar hebben in de zorg. Als Nederland zijn we bereid daar ook flink voor te betalen. Maar dat geldt niet of veel minder voor middelen waarvan bewijs ontbreekt dat ze patiënten verbetering brengen. Terwijl er voor de samenleving meestal wel een hogere prijskaart aan hangt. Zulke middelen komen veel vaker voorbij dan je misschien denkt.
Volledige beschikbaarheid binnen Europa uitzonderlijk
Het aantal nieuwe geneesmiddelen dat jaarlijks in Europa op de markt komt, neemt toe. Volgens onze nieuwste ‘Horizonscan’ (juni ’26) alleen al de komende twee jaar naar verwachting bijna 670. Veel van die nieuwe geneesmiddelen zullen uiteindelijk in het basispakket terechtkomen. Daarmee worden ze vergoed voor iedereen die ervoor in aanmerking komt. Inclusief alle benodigde zorg eromheen. In Nederland is die volledige beschikbaarheid normaal, binnen Europa uitzonderlijk.
Elke dag stroomt er nieuwe zorg in het basispakket, waar u vermoedelijk nooit iets over hoort. Anders is het wanneer we nee zeggen tegen een nieuw duur geneesmiddel of behandeling. Dat zo’n boodschap hard aankomt bij patiënten en hun naasten, begrijp ik. Er wordt vaak gewezen naar Duitsland, dat bijna alles toelaat en op eenzame hoogte bovenaan staat in de Efpia-lijst. De brancheorganisatie van farma in Nederland wijst graag hierop. Maar vertelt er niet bij dat in het Duitse systeem ná toelating het kaf van het koren wordt gescheiden, zodat de vergoeding van niet-werkende zorg alsnog stopt. Dat blijkt in de praktijk overigens al jaren lastig te realiseren, waardoor de zorgrekening voor de Duitsers steeds hoger oploopt.
Farmaceutische industrie voert in Europa de druk op
In Nederland kiezen we voor scherpe keuzes vóóraf. Zo hebben we de meeste zekerheid dat de geneesmiddelen waarvoor we met elkaar veel geld betalen, ook écht de patiënten helpen voor wie ze zijn ontwikkeld. Als overheid maken we deze keuzes niet in ons eentje, maar werken we in nauw overleg met zorgprofessionals, patiëntvertegenwoordigers en zorgverzekeraars.
Bijna overal in Europa voert de farmaceutische industrie momenteel de druk op. Nu Amerika onder Donald Trump minder wil betalen voor geneesmiddelen, moeten in Europa de prijzen verder omhoog. Er wordt gedreigd met stopzetting van investeringen en langer wachten op de komst van nieuwe medicijnen. “Het is verdrietig en hartverscheurend, maar we hebben geen keus”, zei de CEO van AstraZeneca deze maand hierover in de Financial Times.
Over de ruggen van patiënten
Ik kan niet anders dan dit betitelen als powerplay over de ruggen van patiënten en hun naasten. Want wat zeker is, is dat het ongeremd toelaten van nieuwe, dure geneesmiddelen patiënten kan schaden. Omdat zij mogelijk geneesmiddelbehandelingen krijgen die hen niet de verlangde verbetering brengen terwijl er altijd bijwerkingen zijn. Of omdat andere patiënten voor hen noodzakelijke zorg niet kunnen krijgen. Dure geneesmiddelen betalen ziekenhuizen uit hun eigen budget.
Nederland heeft nog altijd een van de beste zorgstelsels ter wereld. Onder aanvoering van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werken we aan een ‘Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen’. Met als doel middelen die voor patiënten echt het verschil maken, sneller beschikbaar krijgen.
Maar: nieuw is helaas niet altijd beter of nog meer geld waard. Dit besef zou echt wat vaker in het publieke debat over dure geneesmiddelen en over de zorg, mogen doorklinken.
Door Mark Janssen, voorzitter Zorginstituut Nederland

