Exclusief toegankelijk Registreer voor toegang tot Zorgvisie.nl Lees meer

Niet gewenst, wel gelukkig

Met de afschaffing van de lichte verblijfszorg staat het fysieke voortbestaan van veel verzorgingshuizen op de tocht. Het boeiende aan de afbouw van de lichte zzp's is in mijn ogen dat deze samengaat met de overtuiging dat mensen zo lang mogelijk thuis willen blijven wonen.
Niet gewenst, wel gelukkig

Het stopzetten van de geldstroom door de overheid gaat gelijk op met de overtuiging dat de behoefte waarin de geldstroom voorzag, is opgedroogd of spoedig zal opdrogen. 'Toekomstige generaties willen niet meer in een verzorgingshuis wonen' is een vaak gehoorde opvatting die even lastig te bewijzen als te weerleggen is.

Eerlijk gezegd vraag ik me af of vorige en huidige generaties ouderen wel zo graag in een verzorgingshuis wilden wonen. Ik waag het te betwijfelen. In die zin verschilt de huidige generatie niet zoveel van de toekomstige: geen van beide hadden/hebben zin om af te takelen en hulpbehoevend te worden.

Gangbare normen

Het verzorgingshuis dat ik destijds onder mijn hoede had, voldeed niet aan de opvattingen die op dat moment gangbaar waren. Die opvattingen luidden onder meer dat mensen op zichzelf wensen te wonen en ten minste 60 vierkante meter vloeroppervlak in een verzorgingshuis willen hebben. Aan deze eisen zijn twee zaken opmerkelijk: ze gaan van een ongedifferentieerde populatie uit en ze gaan ervan uit dat de komende generatie ouderen in de omstandigheid zal zijn om hun wensen (voldoende middelen, een goede gezondheid en een solide sociaal netwerk) te kunnen realiseren.

Niet blij

Een van de toenmalige bewoners was een weduwe van dik in de 90. In gesprek met haar vroeg ik of ze blij was dat ze bij ons woonde. 'Natuurlijk niet', zei ze, enigszins tot mijn verontrusting. 'Maar ik heb ook nooit gewild dat ik weduwe zou worden en van de trap zou vallen waardoor ik mijn heup brak. Bovendien had ik ook wel gewild dat mijn dochter wat dichterbij was blijven wonen en dat ik een betere verstandhouding met mijn buren had.' Ze keek me lachend aan – haar opsomming had niks van een klaagzang: 'En gegeven dat dit allemaal wel is gebeurd, ben ik ontzettend blij dat ik hier woon!'

Zwak sociaal netwerk

Deze weduwe is voor mij exemplarisch voor een deel van de toekomstige generatie ouderen die nog veel gelijkenis zal vertonen met de huidige bewoners van een verzorgingshuis: een laag inkomen, alleenstaand en een zwak sociaal netwerk. Had ze dan niet langer thuis willen blijven wonen? Nee, want de muren kwamen op haar af, ze sprak nooit iemand en ze zat de hele dag te wachten tot er iemand van de thuiszorg langskwam. Bij ons was ze niet eenzaam. Elke ochtend en middag brachten vrijwilligers haar naar de gemeenschappelijke ruimte voor een kopje koffie of thee of een glaasje citroenjenever. Er werd eindeloos gekeuveld over onderwerpen die de volgende dag moeiteloos herhaald werden. Was haar kamer van 45 vierkante meter te klein? Ik betwijfel het: uit bed komen was voor deze bewoonster al stevige ochtendgymnastiek waarvan ze geruime tijd bij moest komen. Haar actieradius was zeer beperkt en met een kleine kamer had ze haar spullen onder handbereik. En er zat nog een ander voordeel aan: door de aard van de behuizing was het verzorgingshuis compact gebouwd: het was daarmee overzichtelijk en – positief geformuleerd – zelfs genoeglijk.

Zoeken naar alternatieven

Betekent dit dat mijns inziens alle verzorgingshuizen open gehouden moeten worden? Zeker niet. Maar wel dat betrokken partijen in gezamenlijkheid moeten zoeken alternatieven. Zorginstellingen voelen de financiële duimschroeven en laten boekhoudkundige aspecten zwaar wegen bij het bepalen van hun beleid. Hierdoor kunnen opeens 'gaten' in wijken ontstaan; er zijn geen voorzieningen meer voor ouderen. Banken en woningcorporaties tellen hun knopen en doen het liefst zaken met zorginstellingen die langjarige contracten met zorgkantoren/verzekeraars of gemeenten kunnen laten zien. Deze contracten bestaan (nog) niet of zeer beperkt.

Regie door gemeente

Zonder regie kunnen tal van voorzieningen onbedoeld uit wijken verdwijnen. Gemeenten zouden uitstekend de regierol kunnen nemen. Als zorginstellingen, gemeentes, corporaties – en vergeet vooral de private financiers niet – een vruchtbare dialoog weten te voeren waarbij vastgoed, financiering, zorg- en welzijnsconcepten zorgvuldig in balans worden gebracht, is het mogelijk het verlies van de verzorgingshuizen – en hun sociale functies in wijken – op te vangen. Dan voorkomt men dat de ouderenzorg met het badwater wordt weggegooid.

Matthijs Kloek is senior manager bij Deloitte Consulting en werkte hiervoor een aantal jaren als leidinggevende in de ouderenzorg.

Matthijs Kloek

Eén reactie

  • Rijerse

    Mijn moeder, ook weduwe geworden, had het niet beter kunnen zeggen. Terecht een exemplarische weduwe.

Of registreer u om te kunnen reageren.

Zorgvisie is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden