Blog: Zware kritiek van de Raad van State op de WNT

De Raad van State (RvSt) heeft op 13 april 2017 een advies uitgebracht over het zogenoemde wetsvoorstel WNT-3. Hierin wordt de maximale bezoldiging die nu in de WNT sector voor topfunctionarissen geldt, uitgebreid naar alle werknemers in de WNT-sector. In dat advies gaat de RvSt niet alleen in op de WNT-3, maar ook op de WNT-1 en WNT-2. De minister heeft dit advies vorige week bekendgemaakt.

Zoals te verwachten viel, is het advies uitermate negatief, zowel over de WNT-3 als indirect over de WNT-1 en -2. Het voorstel is volgens de RvSt prematuur. Beter inzicht in de effecten van de huidige WNT is noodzakelijk, alsmede onderzoek naar de mogelijke effecten van de voorgestelde uitbreiding. Bovendien zijn het nut en de noodzaak van het voorstel niet aangetoond. Hierdoor ontbreekt bovendien een rechtvaardiging voor de beperking die het voorstel inhoudt op het recht op vrij en collectief onderhandelen. Een recht dat in verschillende internationale verdragen is neergelegd. De RvSt geeft aan dat deze opmerkingen over het voorstel van dien aard zijn dat zij adviseert het voorstel niet aan de Tweede Kamer te zenden. De minister heeft dat advies inmiddels overgenomen.

WNT algemeen

In het advies maakt de RvSt indirect ook een kritische opmerking over de invoering van de WNT-2. Snel na de invoering van de WNT is een groot aantal – deels ingrijpende – wijzigingen doorgevoerd (WNT-2). Daarbij is onder andere – in weerwil van de adviezen van de commissie-Dijkstal en zonder nader onderzoek – ervoor gekozen het wettelijke bezoldigingsmaximum verder te verlagen van 130 procent naar 100 procent van de bezoldiging van een minister.
Met haar verwijzing naar het advies van de commissie-Dijkstal, gemaakt ter voorbereiding van de WNT-1, levert de RvSt in feite kritiek op de WNT in het algemeen. In dat advies concludeerde de commissie onder andere dat het ministerssalaris in de loop van de tijd substantieel en systematisch was achtergebleven bij functies van vergelijkbaar gewicht of zelfs mindere functies, en dat ook de salarissen van topfunctionarissen in de publieke sector waren achtergebleven. De commissie-Dijkstal adviseerde om het salaris van de minister opnieuw tot de top van de publieke sector te maken. Daartoe zou het in twee stappen met 50 procent moeten worden verhoogd. Deze norm zou vervolgens ook moeten gelden voor de overige topfunctionarissen in de publieke sector. Daarmee zou een reëel normsalaris voor de publieke sector worden hersteld, met als consequentie dat de ambtelijke bezoldiging niet meer mocht uitstijgen boven het nieuwe ministerssalaris. Die adviezen zijn echter nooit opgevolgd.
De RvSt wijst er verder op dat aan het advies van de commissie-Dijkstal om de ministersalarissen substantieel te verhogen uitgebreid onderzoek ten grondslag lag. Hetgeen niet het geval is geweest bij de totstandkoming van de WNT en de verdere verlaging van het bezoldigingsmaximum tot 100 procent van een ministerssalaris bij de WNT-2. Niet alleen is een nadere evaluatie van de WNT-2 noodzakelijk, maar ook is nader onderzoek nodig inzake de hoogte van het bezoldigingsmaximum van de WNT in het algemeen, aldus de RvSt.

Loongebouw, arbeidsmobiliteit, kwaliteit en arbeidsmarkteffecten

De effecten van de ingrijpende wijzigingen kort na invoering van de WNT zijn amper meetbaar en conclusies zijn niet tot nauwelijks te trekken volgens de RvSt. De vragen die zijn gerezen – in het bijzonder bij de verdere verlaging van de bezoldigingsmaxima in de WNT-2 – over de inrichting van het loongebouw, de arbeidsmobiliteit en de kwaliteit van bestuurders, spelen in nog sterkere mate bij de thans voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de WNT naar (alle) werknemers. Bovendien moet nog meer rekening worden gehouden met arbeidsmarkteffecten, omdat de publieke en semipublieke sector enerzijds en de private sector anderzijds geen gescheiden arbeidsmarkten zijn. Daarbij tekent de RvSt nog aan dat een aantrekkende arbeidsmarkt (zoals thans het geval is) tot verschraling van het arbeidsaanbod voor de publieke en semipublieke sector kan leiden.

Nut en noodzaak

Ook ziet de RvSt geen nut en noodzaak voor deze wet. Onduidelijk is voor welk probleem het voorstel een oplossing beoogt te bieden. Buiten specifieke en kleine groepen blijkt beloning van niet-topfunctionarissen boven het bezoldigingsmaximum slechts in een beperkt aantal gevallen voor te komen. Daarbij kan bovendien niet worden uitgesloten dat in verschillende van die gevallen sprake is van verklaarbare redenen om af te wijken van de bezoldigingsnormen en dientengevolge aanleiding bestaat om gebruik te maken van de in het voorstel geboden afwijkingsmogelijkheden. In het merendeel van de situaties waarin bezoldiging boven de bezoldigingsnorm plaatsvindt, is hiervoor een redelijke verklaring voorhanden. Het voorstel en de toelichting erkennen dit met de uitzonderingsmogelijkheden waarin ze voorzien. In dat licht zal de praktische betekenis van het voorstel beperkt zijn, terwijl het voorstel wel een aantal mogelijke complicaties met zich meebrengt, aldus de RvSt.

Initiatiefwetsvoorstel

Omdat Rutte-3 begin oktober aankondigde de WNT-3 niet meer bij de Tweede Kamer te zullen indienen heeft Tweede Kamerlid Öztürk (DENK) op 27 oktober 2017 een initiatiefwetsvoorstel ingediend van de WNT 3. Gezien het advies van de RvSt lijkt dat een heilloze weg.

Hans van Mens, Advocaat en partner Arbeid & Pensioenen bij AKD advocaten

2 REACTIES

  1. Toen Jaap Burger ooit gevraagd werd waarom hij streefde naar vermindering van het aantal rijksambtenaren, zei hij : “Het gaat mij niet om het bereiken van een bezuiniging. Wat ik wil zeggen is dit: men stopt niet ongestraft duizend mensen in een gebouw”.
    Zijn gelijk blijkt maar weer. Meer ambtenaren is gelijk aan meer regels. Nodig of niet. Ze zijn benoemd en willen werken. En zo ontstonden o.a. de WNT2 en 3.

  2. Lees alle reacties

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.