‘Voer een debat over inkomenssolidariteit in de zorg’

Het politieke debat gaat deze week over een premie van 10 euro per jaar in plaats van een verhoging van het eigen risico van 15 euro. Dat terwijl we weten dat de gemiddelde Nederlander ruim 5.500 euro per jaar betaalt aan zorg.
Frido Kraanen, directeur Maatschappelijk Impactvol Ondernemen bij PGGM

Het eigen risico is al jaren onderwerp van discussie en daarmee het systeem van risicosolidariteit (in hoeverre betalen niet-gebruikers van zorg mee aan de zorg). Dat verhult een veel groter vraagstuk waar we het nauwelijks over hebben: het feit dat de inkomenssolidariteit in de Nederlandse zorg relatief laag is.

Solidariteit in de zorg

Het is een groot goed: solidariteit in de zorg. Voor velen een maatstaf van beschaving, want zieke en kwetsbare mensen laat je niet alleen opdraaien voor de rekening van hun noodzakelijke zorg en welzijn. En terecht, want uiteindelijk kiest niemand ervoor. Dat is goed verankerd in ons systeem. Zo goed zelfs dat Nederland tot de koploper van risicosolidariteit behoort: ‘slechts’ 7 procent van de zorgkosten wordt betaald via een eigen bijdrage/risico (5 miljard euro van de 74 miljard euro in 2017) en dus 93 procent via een premievorm. Een verhoging van het eigen risico ligt altijd gevoelig – ook al is de verhoging in de lijn met de stijging van de zorgkosten – omdat het suggereert dat (chronisch) ziek zijn je nog meer geld kost.

Financieringskwestie

De discussie over het bevriezen van het eigen risico op 385 euro maakt één ding duidelijk: eigen betalingen zijn in wezen een financieringsvraag. Immers, de kosten verdwijnen niet en de financiering moet dus elders worden gevonden. De premie lijkt de enige oplossing, al is het maar vanwege de 50-50 verhouding in de wet die stelt dat 50 procent van de zorgverzekeringsfinanciering via de portemonnee van de burger moet (premie of eigen risico) en de andere 50 procent via de inkomensafhankelijke bijdrage. Dat maakt dat dit debat over een bescheiden bedrag onmiddellijk transformeert tot een complexe, technocratische discussie.

Inkomenssolidariteit

Wat eigenlijk bevreemdt is dat in de brede discussie van financiering van onze zorg niet of nauwelijks over inkomenssolidariteit wordt gesproken, maar vooral over risicosolidariteit. Immers, inkomenssolidariteit regelt in hoeverre brede schouders de zwaarste lasten dragen. Nu is het systeem op alle fronten doorspekt van deze vorm van solidariteit. Zelfs bij de nominale premie krijgen mensen met een laag inkomen zorgtoeslag. De conclusie zou kunnen zijn: met de inkomenssolidariteit zit het ook wel goed. Echter, dat is te makkelijk. The devil is in the detail geldt ook hier. Deze inkomenssolidariteit houdt snel op: voor de Wlz stijgt de premie niet meer na een inkomen van ruim 33.000 euro. Dat betekent dat je boven dit bedrag allemaal hetzelfde betaalt: ruim 3.200 euro (in 2017). Verdien je dus een ton dan betaal je evenveel als iemand die een drie keer zo laag salaris heeft. In procenten is diegene met een ton dan ook beter af dan iemand die precies op de grens zit (3,2 procent versus 9,7 procent). Relatief betalen de beterverdienenden dus een stuk minder mee aan ouderenzorg (Wlz) in ons land.
De inkomensafhankelijke bijdrage (de helft van de zorgfinanciering in de Zorgverzekeringswet) loopt iets verder door, tot een jaarinkomen van ruim 50.000 euro.
De beterverdienenden krijgen op nog een andere manier hulp: hun kinderen zijn gratis verzekerd. Dat geldt natuurlijk voor alle kinderen, maar het is een ‘subsidie’ die dus voor een deel terechtkomt bij mensen die dat niet echt nodig hebben.

Debat voeren

Omdat we weten dat de zorg elk jaar duurder wordt en ook sneller groeit dan de inflatie, moeten we dat oplossen in een relatief klein deel van het inkomensgebouw. Voor elke euro die iemand meer gaat verdienen als hij/zij boven deze grenzen zit, betaalt hij/zij dan niet extra mee aan de stijgende zorgkosten. In plaats van te millimeteren met risicosolidariteit, zou het een stuk meer helpen het debat over het verbreden van de inkomenssolidariteit te voeren.

Ik besef me goed dat tegenstanders zullen zeggen: we hebben in totaal een progressief stelsel en dat zorgt voor een evenwichtige koopkracht. Dat is waar. Maar juist ook omdat de mensen met de hogere inkomens op andere manieren profiteren van solidariteit, is het debat over een rechtvaardige verdeling van lasten opportuun. Immers, recente cijfers laten weer zien dat ze gemiddeld circa zeven jaar ouder worden dan mensen met lagere inkomens en dus zeven jaar langer van de AOW genieten. En laat dat – ironisch – nu ook een voorziening zijn waarbij ook de premie niet meer stijgt na dezelfde grens van ruim 33.000 euro. Aan de andere kant hebben juist mensen met lagere inkomens weer meer zorgkosten.

Morele afwegingen

Natuurlijk is zorgfinanciering een complex bouwwerk, waarbij niet alleen de techniek moet kloppen, maar ook de morele afwegingen tussen groepen burgers. Juist om het grote goed van risicosolidariteit te behouden, moeten we er zorgvuldig mee omgaan. Immers, deze aanzienlijke overdracht van 93 procent staat of valt bij het draagvlak van de nettobetalers. Dat betekent onder meer dat de verschillende solidariteitsoverdrachten zich goed tot elkaar moeten verhouden. Het is dan belangrijk om juist de relatief blinde vlek aangaande het relatief kleine inkomensbereik van zorgfinanciering op de agenda te plaatsen.

Frido Kraanen is directeur Maatschappelijk Impactvol Ondernemen bij PGGM. Hij schreef dit blog op persoonlijke titel.

1 REACTIE

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.