Stel: het is drie uur ’s nachts. Het elektriciteitsnet in een middelgrote stad valt uit voor acht uur. Een bewoner van een verzorgingstehuis valt uit bed. Het persoonlijk alarm – via WiFi verbonden met een cloudserver – heeft geen bereik. Het nachtpersoneel, één medewerker voor veertig bewoners, heeft geen idee. Twee straten verder ligt een tachtigjarige met dementie op de keukenvloer. Zijn GPS-tracker heeft geen 4G meer. Zijn dochter wacht op een melding die nooit komt.
Dit is geen horrorscenario. Dit is wat er bij een stroomuitval van meer dan vier uur gebeurt met de systemen waarvan honderdduizenden kwetsbare mensen dagelijks afhankelijk zijn. WiFi-routers vallen direct uit. 4G-masten draaien op noodbatterijen van twee tot vier uur. Na vier uur: het alarm is stil. Na acht uur: er zijn geen noodplannen meer die standhouden.
De omvang van de kwetsbare groep is nauwelijks doorgedrongen in het publieke debat. Naar schatting 400.000 thuiswonende ouderen zijn afhankelijk van een persoonlijk alarm. Circa 7.000 mensen zijn afhankelijk van thuisbeademing, apparatuur die bij stroomuitval binnen minuten levensgevaar oplevert. Bijna 300.000 mensen met dementie steunen op GPS-trackers die werken via het mobiele netwerk. Al deze systemen zijn ontworpen voor een wereld waarin het internet altijd beschikbaar is. Ze zijn niet ontworpen voor de wereld van nu.
Triage
Bij een crisis geldt triage. De hulpdiensten gaan naar wat zichtbaar en urgent is. Kwetsbare ouderen zijn structureel onzichtbaar. Niet omdat niemand om hen geeft, maar omdat het systeem dat hen zichtbaar moet maken op dat moment heeft gefaald. De medische literatuur is ondubbelzinnig: elke twee uur extra op de vloer vergroot de kans op vroegtijdig overlijden significant. De stille doden worden pas geteld als de stroom terugkeert. De verbinding tussen uitval en overlijden is juridisch moeilijk te bewijzen. Maar de morele verantwoordelijkheid is er.
Juridische lacune
Hier ligt een juridische lacune die elk moment relevant kan worden. De Wkkgz verplicht zorginstellingen tot het leveren van goede zorg, ook bij voorzienbare calamiteiten. Of een instelling die geen noodvoorziening heeft getroffen aansprakelijk is als het alarm bij een blackout uitvalt, is in de Nederlandse jurisprudentie nog nooit beantwoord. Dat vacuüm wordt op enig moment gevuld. Door de rechter, na een incident.
De technologie om dit te voorkomen bestaat. Noodbestendige alternatieven zijn beschikbaar voor een eenmalige investering van enkele honderden euro’s per locatie. De terugverdientijd ten opzichte van commerciële abonnementskosten bedraagt weken. De reden dat ze niet worden geïmplementeerd is niet technisch en niet financieel.
Bestuurders wachten op beleid. Beleid wacht op jurisprudentie. Jurisprudentie wacht op een incident. Ondertussen wacht een bewoner op de vloer.
Wie neemt de verantwoordelijkheid?
Na een ernstige crisis komen altijd de vragen: waarom was er geen plan, waarom heeft niemand gehandeld terwijl de kwetsbaarheid al jaren bekend was? Die antwoorden worden nu geschreven in de besluiten die bestuurders van zorginstellingen, gemeenten en veiligheidsregio’s vandaag nemen, of niet nemen.
De ouderen en de zwakkeren verdienen beter dan een plek onderaan de triagelijst. Ze verdienen een systeem dat hen zichtbaar houdt als alle andere systemen falen. Dat systeem is juridisch vereist, moreel geboden en financieel verwaarloosbaar. De enige vraag die resteert is wie de verantwoordelijkheid neemt. En wanneer.
Door Willem Slijkhuis, onderzoeker en initiatiefnemer Zorgveiligheid bij infrastructuuruitval. Hij werkt aan een onderzoeksrapport over vermijdbare sterfte door uitval van stroomafhankelijke medische technologie bij infrastructureel falen

