De verwachting dat vitale ouderen in een Lang Leven Thuisflat automatisch voor hun kwetsbare buren zorgen, is romantisch wensdenken. Dat blijkt uit onderzoek van het Ben Sajet Centrum en de Hogeschool van Amsterdam. “Hameren op informele zorg staat gemeenschapsopbouw in de weg”, vertelt onderzoeker Jante Schmidt.

Lang Leven Thuisflats zijn Amsterdamse wooncomplexen

Goed dat hier onderzoek naar wordt gedaan. Maar de eerste resultaten verbazen me niet. Waarin verschilt een wooncomplex voor ouderen van een regulier appartementencomplex? Zijn de bewoners wezenlijk verschillend? Als 70+ bewoner van zo’n regulier complex zie ik een grote variatie in gemeenschapszin, bereidheid om elkaar te helpen, samen dingen te doen. Niet afwijkend van wat mevrouw Schmidt is tegengekomen. De zorgbehoefte kan ook in een regulier complex, met jongere bewoners, aanzienlijk zijn. Met een goed functionerende VvE is en blijft het goed wonen in zo’n complex, ook voor ouderen.
Laagdrempelige beschikbaarheid van professionele ondersteuning zou inderdaad toegevoegde waarde kunnen hebben. Maar hoe komt die beschikbaar? Vrijblijvend of verplichtend? En betekent dat verhoging van de woonlasten? Zou interessant zijn om te onderzoeken welke vormen van professionele ondersteuning je niet (minder) tegenkomt in een regulier goed functionerend complex, terwijl die juist in een complex met oudere bewoners toegevoegde waarde heeft. En geaccepteerd wordt door die bewoners.
De uitkomsten van het onderzoek bevestigen het beeld van MOmenz en de eerdere ervaringen (2017 in Nieuwegein): Niet louter en op de eerste plaats is de flat/straat/wijk/buurt de ‘kavel’ waarop waarden gedeeld worden (denk aan de waarden van zorgzaamheid en onderlinge solidariteit) maar wellicht veel meer de volkstuinvereniging, wilgenknotclub, de modeltreinclub. Sociaal werkers in de regio West Utrecht betrekken juist deze maatschappelijke ‘kavels’ waarop mensen hun interesses delen bij het zorgvraagstuk.