“Mocht ik gevraagd worden als minister van VWS, dan sta ik klaar.” Dat zei Daniëlle Jansen tegen Zorgvisie toen ze in november 2023 werd gekozen in de Tweede Kamer. Nu is het zover: ze volgt Fleur Agema op als VWS-minister. NSC heeft het Tweede Kamerlid voorgedragen aan premier Schoof.
Jansen (45) vertelde in dat interview


Als zorgverlener die sinds begin dit jaar de voorbereidingen treft voor het opstarten van palliatief-terminale 24-uurs thuiszorg, heb ik de afgelopen maanden diverse beleidstukken bestudeerd. Hierbij zijn mij enkele prangende knelpunten opgevallen die ik graag onder de aandacht breng.
Een complex financieringslandschap
De financiering van zorg vormt een uiterst complex systeem. Ook voor mij als zorgprofessional kostte het zes maanden om enigszins de rode draad te ontdekken. Laat ik dit illustreren aan de hand van een praktijkvoorbeeld.
Tegenwoordig krijgt één op de twee Nederlanders tijdens zijn leven de diagnose kanker. Na diagnostiek en behandeling in het ziekenhuis ontstaat er een zorgvraag. Voor patiënten van circa 70 jaar betekent dit een veelheid aan ziekenhuisafspraken, waarbij mantelzorgers – mits op de hoogte van regelgeving rond zorgverlof – een cruciale rol spelen.
Wanneer aanvullende ondersteuning noodzakelijk is, begint een kafkaiaans traject:
Huishoudelijke hulp: Doorverwijzing naar het Wmo-loket bij de gemeente leidt vaak tot teleurstelling door aanzienlijke wachtlijsten in de thuiszorg.
Complexere zorg: Bij toenemende zorgbehoefte door behandelbijwerkingen verloopt de doorverwijzing via het interne transferbureau van ziekenhuizen. Ook hier zorgen lange wachtlijsten ervoor dat patiënten onnodig lang in het ziekenhuis verblijven, terwijl mantelzorgers de zorg om begrijpelijke redenen niet kunnen opvangen (bijvoorbeeld bij een eensgezinsleven of geografische afstand).
Persoonlijk budget: Een alternatief is het aanvragen van een persoonlijk budget via de zorgverzekering, beheerd door de Sociale Verzekeringsbank. Echter, sommige verzekeraars hanteren fraudepreventieve maatregelen die bijvoorbeeld maximaal 48 uur per week bij dezelfde zorgverlener vergoeden. Dit ondermijnt de continuïteit van zorg. Bovendien: welke 70-plusser heeft overzicht in dit doolhof van formulieren en aanvraagprocedures?
De palliatieve fase: verhoogde drempels
In de palliatieve fase neemt de zorgbehoefte toe. Ook hier ontstaan significante obstakels:
Zorgverzekeraars geven bij voorkeur de opdracht aan gecontracteerde zorgverleners van grote thuiszorginstellingen, met opnieuw lange wachtlijsten tot gevolg.
Kiest een patiënt voor een zelfstandige zorgverlener, dan vergoeden verzekeraars vaak slechts 60-70% van de kosten.
Grote organisaties beschikken doorgaans niet over de capaciteit om adequaat te reageren op calamiteiten zoals lekkende urostoma’s of acute wondproblemen, waardoor patiënten in mensonterende situaties kunnen belanden met wachttijden van meer dan een uur.
De laatste levensfase: een schrijnende realiteit
In de terminale fase blijven verzekeraars sturen op inzet van (reeds overbelaste) mantelzorgers in plaats van volledige vergoeding van professionele thuiszorg of ZZP’ers als casemanagers. Het voorkomen van fraude lijkt hierbij het primaire motief. Schrijnende gevallen waarbij patiënten ’s ochtends door thuiszorg in benarde situaties worden aangetroffen, zijn helaas geen uitzondering. Dit is inhumaan en niet nodig.
Zelfs bij ernstige medische indicaties – valgevaar, acute bloedingsneiging, acute benauwdheid of palliatieve sedatie – wordt de vraag gesteld: “Kan een vrijwilliger dit niet doen?”
Het beeld van de ZZP’er: onterecht negatief! Het geheel verdient geen schoonheidsprijs. Of het nu gaat om kostenbeheersing, het tegengaan van fraude door ‘zorgcowboys’, de hardnekkige ZZP-affaire waarbij schijnzelfstandigheid wordt bestreden, of de constatering van de Nederlandse Zorgautoriteit over het gebrek aan toezichtsmiddelen – in al deze beleidsstukken valt mij op dat de ZZP’er wordt neergezet als een amorele hulpverlener.
Deze typering is niet alleen onjuist, maar ook grievend. De meeste zelfstandige zorgverleners die ik ken, hebben juist gekozen voor het ondernemerschap om zorgeloos aan het bed te kunnen staan – niet ondanks, maar dankzij hun professionaliteit en betrokkenheid.
Achtergrond van Daniëlle Janssen plus haar ervaring sluiten heel goed aan bij de grote opgaven waarvoor we staan in de gezondheidszorg. De huidige zorg leidt maar voor 12% tot daadwerkelijke gezondheidsverbetering. En de overige 88% dan? Amber alert dus. Transitie van ziekte en zorg naar gezondheid en preventie, zijn cruciaal willen we met minder middelen (personeel/geld) passende zorg kunnen blijven bieden. Een minister van preventie is daarom noodzakelijk om het benodigde evenwicht tussen zorg en preventie te bewerkstelligen. AZWA (vrij vertaald: minder zorg, meer sociaal domein, omdat heel veel zorgvragen veroorzaakt worden door geldgebrek, slechte woning/woonomgeving, geen werk, onveilige thuissituatie en vooral ook door eenzaamheid en onveiligheid (niet limitatief). Het is ook belangrijk dat zij ervoor zorgt dat het recht op gezondheid wordt vastgelegd in de grondwet.
Ik zal haar daden met belangstelling volgen.
Prachtig dat nu een basis-VERPLEEGKUNDIGE minister van VWS mag zijn, al is het maar kort ( te kort, dus later daarop geen kritiek!!!) . „Preventie“ is ook in de gezondheidszorg zinvol, maar daar geen alleenrecht. Ook het voorkomen van ongelukken, van drankmisbruik, misdaden, onveilige spullen en voeding behoort daartoe. De rechtstreekse gezondheidsopvoeding ( GVO ) is zaak van ouders, verpleegkundigen, onderwijzers en andere gedragsbeïnvloeders, tich?