Tien jaar na de ratificatie van het VN-Verdrag Handicap is een inclusieve samenleving in Nederland nog altijd geen vanzelfsprekendheid. Onlangs zaten we samen in Koninklijk Theater Carré bij The Little Big Things. We kennen elkaar uit onze tijd in de Tweede Kamer, waar we samen werkten aan de ratificatie van het verdrag. Daarna bleven we maatjes. Het kan in de politiek. De voorstelling liet ons opnieuw nadenken over de vraag wat inclusie betekent.
Iedereen kent beperkingen
De musical vertelt het waargebeurde verhaal van Henry Fraser, die na een duikongeluk met een dwarslaesie zijn leven opnieuw moet vormgeven. Voor Otwin was dat onvermijdelijk ook persoonlijk. Ook hij kreeg op jonge leeftijd een dwarslaesie en herkende de revalidatie, de zoektocht naar een nieuw perspectief en de ontdekking dat het leven niet ophoudt bij wat je verliest, maar opnieuw begint bij wat wél mogelijk is.
Toch bleef vooral één gedachte uit de voorstelling bij ons hangen: iedereen kent beperkingen. De één ziet ze meteen, de ander niet. Soms zijn ze lichamelijk, soms psychisch. Soms ontstaan ze door ziekte of een ongeluk, soms horen ze bij het ouder worden, verlies of onzekerheid. Kwetsbaarheid is geen uitzondering. Ze hoort bij het leven.
Wrang
Misschien is dat wel de kern van inclusie. Niet dat we rekening houden met een kleine groep mensen die “anders” is, maar dat we erkennen dat ieder mens momenten kent van ’kwetsbaarheid’. Inclusie gaat daarom niet over een minderheid. Ze gaat over ons allemaal.
Juist daarom is het wrang dat Nederland, tien jaar na de ratificatie van het VN-Verdrag Handicap, nog steeds niet vanzelfsprekend toegankelijk is. Voor ruim twee miljoen mensen met een beperking en veel ouderen is meedoen nog te vaak afhankelijk van toeval. Dat is geen kwestie van pech. Het zijn keuzes. En het vraagt om een andere houding.
Mens los van de diagnose
Toegankelijkheid ontstaat namelijk niet vanzelf. Ze begint bij werkgevers die talent zien. Bij scholen die verschillen als verrijking beschouwen. En juist ook in de zorg, waar het gemakkelijk is iemand te laten samenvallen met een diagnose. Niemand wil immers worden gezien als “de dwarslaesiepatiënt”, “de cliënt met dementie” of “de vrouw met Parkinson”.
We willen allemaal gezien worden als mens. Met talenten, relaties, dromen en een leven dat groter is dan een medische diagnose. Daarom begint inclusie uiteindelijk niet met een wet of een protocol. Ze begint met een eenvoudige vraag: wie ben jij?
Geen gunst
Inclusie is geen gunst voor een minderheid. Het is een investering in de samenleving waarin we allemaal willen leven. Want vroeg of laat krijgt vrijwel iedereen te maken met een beperking, tijdelijk of blijvend. Door ziekte, een ongeluk of simpelweg doordat we ouder worden. De vraag is daarom niet óf inclusie belangrijk is. De vraag is of we bereid zijn er vandaag naar te handelen. Zodat morgen niemand meer buiten hoeft te staan. En zodat we, ook wanneer zorg of afhankelijkheid deel van ons leven wordt, gezien blijven worden om wie we zijn. Niet om wat ons beperkt.
Dat lijkt misschien een klein gebaar. Maar juist zulke kleine keuzes bepalen of iemand zich welkom voelt of buitengesloten. Of iemand kan meedoen of moet afhaken. Misschien zijn dat wel de echte little big things.
Door Vera Bergkamp, bestuurder Zorgbalans, en Otwin van Dijk, bestuurder Slingeland Ziekenhuis

