Uitgelicht: Pim van der Harst

[Exclusief] Pim van der Harst (1977) is op 1 januari 2015 benoemd tot hoogleraar Interventie en Translationele cardiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen (UMC Groningen). Hij is daarmee de jongste hoogleraar cardiologie van Nederland.
Uitgelicht: Pim van der Harst

Na zijn vooropleiding interne geneeskunde is Van der Harst in 2008 gaan werken in UMCG, eerst als arts-assistent in opleiding en fellow en sinds 2014 als interventie-cardioloog en wetenschappelijk hoofd van de afdeling hartkatheterisatie. Het meest aantrekkelijke van cardiologie vindt Van der Harst de dynamiek van het vak. Als interventiecardioloog houdt hij zich tweeëneenhalve dag per week bezig met de uitvoering. ‘Mensen komen soms binnen met veel pijn op de borst of zijn eigenlijk dood aan het gaan. Om in die kritieke situaties mensen te kunnen helpen, geeft veel voldoening. Het zorgt bovendien voor motivatie en inspiratie voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek.’

Hoogleraarschap

Hoogleraar worden, was niet iets waar Van der Harst aan het begin van de opleiding aan dacht of naar streefde. ‘Het is voortgekomen uit een combinatie van mijn interesses volgen, hard werken en domweg toeval. In mijn eerste jaar van de opleiding geneeskunde kwam ik een docent tegen die mij wist te enthousiasmeren voor onderzoek waardoor ik al vroeg ben begonnen. Na mijn opleiding geneeskunde heb ik eerst promotieonderzoek verricht en vervolgens een jaar onderzoek in het buitenland gedaan. Daar leerde ik nieuwe genetische technieken waar ik in Nederland verder aan kon werken in het LifeLines en Prevend cohort.’ Om hoogleraar te worden, moeten mensen volgens Van der Harst zien dat je werk goed is en vertrouwen in je hebben. Zelf had hij overigens niet verwacht om zo jong al hoogleraar te worden. Hij wilde eerst cardioloog worden, en die weg is lang. ‘Na een zesjarige opleiding geneeskunde is de specialisatie tot cardioloog ook nog eens zes jaar en in mijn geval nog twee extra jaren als fellow om interventie cardioloog te worden. Je bent dan dus al snel midden dertig wanneer je de klinische opleiding hebt afgerond. ‘

Onderzoek

Binnen zijn onderzoek richt Van der Harst zich vooral op het beter begrijpen en behandelen van hartinfarcten en hartfalen. ‘Mijn aandachtsgebied is eigenlijk het verouderende hart. Tussen twee mensen met een hartinfarct bestaan verschillen. De ene patiënt krijgt hartfalen, de andere niet. Een deel van de patiënten met hartfalen zal snel overlijden, de anderen blijven nog jaren leven zonder noemenswaardige klachten. Zelfs wanneer de grootte van het hartinfarct identiek is, kunnen er grote verschillen bestaan in de consequenties ervan.’ Daarbij spelen de genen waarschijnlijk een belangrijke rol. Door genetica is het mogelijk om nieuwe inzichten te krijgen en deze te vertalen naar betere behandelingen. ‘Als we weten welk gen betrokken is bij het ontstaan van hartfalen, dan kunnen we ook over therapie gaan nadenken. Therapie om het gen te veranderen ligt vaak niet direct voor de hand, maar een gen wordt uiteindelijk vertaald naar een eiwit of eiwitcomplex met een bepaalde functie. Het is mogelijk om nieuwe medicijnen te ontwikkelen door de functie van een eiwit of eiwitcomplex te versterken of te verzwakken en op die manier een ziekte te beïnvloeden.’

Toekomst

Van der Harst denkt dat er de komende vijf tot tien jaar grote veranderingen in de cardiologie zullen plaatsvinden. ‘Door betere beeldvormende diagnostiek valt er straks bijvoorbeeld meer te zeggen over de gezondheid van de bloedvaten van het hart. We hoeven dan minder vaak over te gaan tot een hartkatheterisatie om de juiste diagnose te stellen. Een andere technologische ontwikkeling is bijvoorbeeld het via de liesslagader repareren van een hartklep of het inbrengen van een nieuwe hartklep. Een openhartoperatie is dan niet meer nodig. Ook is de verwachting dat de komende jaren de kwaliteit van steun- of kunstharten steeds beter wordt. De technologie wordt steeds geavanceerder en de levensduur van dit soort kunstkleppen of –harten wordt steeds langer. Deze technologische vooruitgang werpt wel nieuwe vragen op. Hoe ver moeten wij straks gaan? Wanneer is iemand te oud? Wanneer maakt een bijkomende ziekte of aandoening een ingreep niet meer de moeite waard? Dit soort vragen moeten wij, als artsen, niet alleen proberen te beantwoorden. Daar moeten wij als maatschappij keuzes in durven maken.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.