
Het antwoord zit niet in een nieuw stelsel, maar in een andere rol van de spelers die we al hebben, met name van de zorgverzekeraars.
Veel mensen denken dat het verschil in premie tussen zorgverzekeraars wordt bepaald door hoe slim zij zorg inkopen. Maar dat is een misverstand. In werkelijkheid komt dat verschil vooral uit hun financiële buffers en beleggingsresultaten. Niet uit de onderhandelingen met de ziekenhuizen. Dat betekent dus dat we een kans laten liggen. Want de echte meerwaarde van zorgverzekeraars ligt niet in wat ze nu doen – onderhandelen over prijs en volume – maar in wat ze zouden kunnen doen: sturen op hoe de zorg wordt georganiseerd.
Klassieke rekensom
De klassieke zorginkoop is een rekensom: prijs maal volume (p x q) en kwaliteit. Die logica is te beperkt voor de uitdagingen van vandaag. Wat we nodig hebben is een institutionele rol van de zorgverzekeraar. Wat bedoelen we daarmee? Niet alleen kijken naar tarieven, maar sturen op de omvang en spreiding van voorzieningen, samenwerking in de regio, profilering en herverdeling in netwerken. Zo’n verschuiving klinkt misschien theoretisch, maar het is in feite heel concreet: zorgen dat dure, ingewikkelde zorg op de juiste plek terecht komt en dat basale zorg dicht bij huis blijft.
De instrumenten
Hoe organiseer je dat in de praktijk? Een belangrijk instrument is het representatiemodel. In dit model onderhandelen een of twee zorgverzekeraar per regio namens alle verzekeraars. Dat geeft voordelen. Het geeft de noodzakelijke slagkracht richting ziekenhuizen en zorgverleners. Het voorkomt eindeloze onderlinge strijd tussen verzekeraars. En het sluit veel beter aan bij de beweging die het Integraal Zorgakkoord (IZA) en andere akkoorden is ingezet: weg van concurrentie, richting netwerkzorg. En het geeft een boost aan de implementatie van de breed gedragen volumenormen voor een aantal ziektebeelden.
Nieuwe leiderschapseisen
Wat betekent dit voor ziekenhuizen en zorgverleners? Als zorgverzekeraars deze institutionele rol pakken worden regionale afspraken over concentratie en spreiding leidend. Dat heeft gevolgen voor ziekenhuizen: contracten worden gebaseerd op de meerjarige afspraken over rolverdeling en samenwerking. Dat betekent nieuwe zorgconcepten, andere taakverdeling en dus ook andere eisen aan het leiderschap binnen de ziekenhuizen. Voor bestuurders en zorgverleners betekent het: keuzes maken, samenwerken en veranderen. Niet eenvoudig, maar noodzakelijk.
En wat als die veranderingen zo groot zijn dat ziekenhuizen of medisch specialisten ze niet intern kunnen opvangen? Dan is het aan de zorgverzekeraars om niet star te blijven, maar mee te bewegen en oplossingen te zoeken.
Buiten de eigen muren
Uiteindelijk doen we het verbeteren van de zorg voor de premiebetaler/patiënt. Het vraagt wel wat van alle betrokkenen. Voor ziekenhuisbestuurders en zorgverleners: het vermogen om buiten de eigen muren te kijken, samenwerking te zoeken en dynamiek op de werkvloer om te zetten in echte verandering. Zij hebben het initiatief voor de concentratievraagstukken in het kader van de implementatie van de volume-normen.
Voor zorgverzekeraars: bestuurlijke vaardigheden, onderhandelingskracht en vooral de moed om niet alleen over geld te praten, maar over de inrichting van het zorglandschap. Een echte countervailing-power.
Herdefiniëren
Het punt is helder we hoeven ons zorgstelsel niet opnieuw uit te vinden. Wat we wel moeten doen, is de rol van zorgverzekeraars herdefiniëren. Geen prijsvechters meer, maar mede-regisseurs. Geen focus meer op premieverschillen door onderhandelingen, maar zorg die slim is verdeeld en goed georganiseerd.
Wat leren we hiervan? De toekomstbestendigheid van de zorg zit niet in nieuwe wetten of structuren, maar in leiderschap. Zorgverzekeraars die hun rol pakken. Ziekenhuizen en artsen die samenwerking omarmen. En beleidsmakers die dit proces ondersteunen in plaats van verstoren. De uitdaging is groot. Maar het mooie is: de instrumenten zijn er al. Het enige wat nodig is, is de keuze om ze echt te gebruiken.
Door Peter Go, oud-chirurg en zorgverlener en Guus van Montfort, emeritus hoogleraar Gezondheidseconomie

Dit -gewaardeerde- opiniestuk stelt dat zorgverzekeraars hun rol moeten herdefiniëren: van prijsvechters naar regisseurs van het zorglandschap. Dat klinkt aantrekkelijk, maar het is een pleidooi dat twintig jaar te laat komt.
Sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 hebben zorgverzekeraars alle ruimte gehad om meer te doen dan prijsdruk uitoefenen. Toch zijn de resultaten mager: groeiende wachtlijsten, zorgmijding door kosten, en een zorgverlener die steeds vaker klaagt over bureaucratie en verlies van autonomie. De auteurs erkennen dit impliciet, maar suggereren dat een cultuuromslag binnen het bestaande stelsel voldoende zou zijn. Dat is naïef.
De voorgestelde “regisseursrol” is bovendien niet democratisch gelegitimeerd. Het representatiemodel – waarbij één verzekeraar per regio namens alle anderen onderhandelt – klinkt efficiënt, maar creëert in de praktijk regionale monopolies zonder publieke controle. Wie bepaalt straks welke spoedpost sluit of welk ziekenhuis fuseert? En op basis van welke criteria?
Daartegenover staat bijvoorbeeld het voorstel voor een Nationaal ZorgFonds, zoals uitgewerkt door de SP. Dat plan is niet alleen ideologisch consistent, maar ook stevig financieel onderbouwd en internationaal geïnspireerd. Het schaft het eigen risico af, versterkt de eerstelijnszorg, en brengt de regie terug bij zorgverleners en burgers. En ja, het is uitvoerbaar – mits zorgvuldig gefaseerd, zoals blijkt uit ervaringen in Taiwan, Zweden en Spanje.
De echte keuze is dus niet tussen “meer regie” of “meer markt”, maar tussen doorgaan met een stelsel dat zijn beloftes niet heeft waargemaakt, of kiezen voor een fundamentele koerswijziging. De instrumenten zijn er. De vraag is: durven we ze eindelijk te gebruiken?
Dat zou inderdaad mooi zijn. Probleem is dat de prikkels in het stelsel voor verzekeraars de andere kant op wijzen. Zolang concurrentie op de markt voor zorgverzekerden en de hoogte van premie leidend zijn voor het succes van verzekeraars blijft dat de boel vertragen. De stelling dat het stelsel niet hoeft te veranderen is gezien de grote uitdagingen die voor ons liggen, wat mij betreft niet meer goed houdbaar.