Artikel bewaren

U heeft een account nodig om artikelen in uw profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Terecht | Toezicht in jeugdhulp wordt fors aangescherpt

De aangepaste Jeugdwet verplicht organisaties tot een steviger toezichthoudend orgaan, met nadruk op onafhankelijkheid, deskundigheid en zelfs ervaringsdeskundigheid binnen het interne toezicht.
Pluisproducties
Deze column staat in Zorgvisie magazine 2, verschenen op 17 maart. Alle artikelen uit dit nummer leest u hier.

Sinds 1 januari 2026 is het speelveld voor jeugdhulpaanbieders veranderd. Met de inwerkingtreding van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is de Jeugdwet aangepast en gelden strengere eisen voor de bestuursstructuur van jeugdhulpaanbieders. De governance-eisen zijn overigens niet nieuw: ze sluiten aan bij de governance-normen die al langer gelden voor aanbieders van Zvw- en Wlz-zorg.

Jeugdhulpaanbieders die met meer dan tien personen jeugdhulp met verblijf (doen) verlenen of met meer dan vijfentwintig jeugdhulpverleners jeugdhulp (doen) verlenen, moeten een toezichthoudend orgaan instellen. Uitzonderingen gelden voor gemeenten die zelf hulp verlenen en voor organisaties die uitsluitend het vervoer naar een locatie regelen.

Strikte voorwaarden

Het toezichthoudend orgaan moet aan strikte voorwaarden voldoen, vergelijkbaar met de eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Zo mag een toezichthouder niet tegelijkertijd bestuurder zijn. Ook een burgemeester of wethouder met jeugdhulp in de portefeuille is uitgesloten. Het toezichthoudend orgaan moet uit minimaal drie natuurlijke personen bestaan en kan benoemd worden voor maximaal vier jaar. Met één verlenging van maximaal vier jaar. Onafhankelijkheid en deskundigheid staan centraal. Voor de zoektocht naar geschikte leden moet een profielschets worden opgesteld. Daarbij moet rekening worden gehouden met de aard van de instelling, diens activiteiten en de gewenste deskundigheid en achtergrond van de leden van de interne toezichthouder.

Opvallend is de extra inspanningsverplichting in de Jeugdwet: jeugdhulpaanbieders moeten ernaar streven dat ten minste één toezichthouder ervaringsdeskundig is, bijvoorbeeld als (ouder van een) cliënt,  of werkzaam is (geweest) als jeugdarts of jeugdhulpverlener. Daarmee krijgt inhoudelijke praktijkkennis een vaste plek in het toezicht. Een vergelijkbare regel geldt niet voor Zvw- en/of Wlz-aanbieders.

Expliciet vastleggen

Biedt een zorgorganisatie naast jeugdhulp ook Zvw- of Wlz-zorg, dan gelden zowel de eisen uit de Jeugdwet als die uit de Wtz. Dat betekent in de praktijk vrijwel altijd een statutenwijziging, met name omdat de onafhankelijkheidseisen uit de Jeugdwet en WTZA op onderdelen verschillen. In de statuten moet expliciet zijn vastgelegd hoe het interne toezicht is ingericht en aan welke eisen wordt voldaan. Reglementen kunnen vervolgens de taken en bevoegdheden nader uitwerken.

De zoektocht naar geschikte toezichthouders blijkt geen sinecure. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet dat. Daarom geldt tot 1 juli 2026 een overgangsperiode waarin de IGJ nog niet handhavend zal optreden. Dit is dan ook hét moment om de governance van uw zorgorganisatie tegen het licht te houden. Wie nu scherp stuurt, voorkomt straks scherpe vragen en het risico op een dwangsom.

Door Maartje de Jong, advocaat en partner zorg bij Velink & De Die advocaten

Geef uw reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.