Kwaliteitsinstituut betwijfelt nut uitkomstmaten

Uitkomstmaten en sterftecijfers zijn nog niet betrouwbaar genoeg. De zorg kan beter focussen op procesindicatoren. Dat vindt Jan Kimpen, voorzitter van het Kwaliteitsinstituut.

Artikel bewaren

U heeft een account nodig om artikelen in uw profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Kwaliteitsinstituut betwijfelt nut uitkomstmaten

Kimpen laat hiermee een tegengeluid horen, in een sector waar PROMS (patient related outcomes) en HSMR (hospital standardized mortality rate) in hoog aanzien staan.

PROMS

Kimpen: ‘Laten we ons niet blindstaren op PROMS. PROMS hebben een hele grote individuele perceptie van de patiënt in zich. Neem borstkanker: als de tumor volgens de norm helemaal weg moet zijn voor een maximale genezing, is de uitkomst het best. Maar er zijn vrouwen die meer risico willen nemen, in ruil voor een minder uitgebreide tumoroperatie. Dan zou je het volgens de uitkomstindicator niet goed hebben gedaan, terwijl  je juist naar de patiënt hebt

9
111

Wilt u dit premium artikel verder lezen?

Sluit eenvoudig een gratis proefmaand af of neem een abonnement. Al voor de prijs van 1 kop koffie per week (2,50 euro) kunt u onze premiumartikelen lezen.

Bent u al abonnee? Log dan in en lees verder.

9 REACTIES

  1. Ik begrijp de twijfels van Jan van Kimpen bij PROMS niet zo goed. Met PROMS meet men voor en na een behandeling hoe de patiënt zijn of haar gezondheid ervaart. Inderdaad, individuele perceptie. Dan heb je het juist goed gedaan als je naar de patiënt hebt geluisterd en zal de uitkomstindicator dat ook aangeven. Het bezwaar van een uitkomstindicator die iets anders aangeeft dan de patiënt ervaart, doet zich juist voor bij procesindicatoren; het perfect volgen van richtlijnen wil beslist niet zeggen dat de beste zorg wordt geleverd.
    Kortom: door dit verhaal denk ik beter te kunnen invoelen waarom het kwaliteitsinstituut er van beticht wordt bureaucratisch te zijn….

  2. Lees alle reacties
  3. Dhr. Kimpen stelt: ‘Neem borstkanker: als de tumor volgens de norm helemaal weg moet zijn voor een maximale genezing, is de uitkomst het best. Maar er zijn vrouwen die meer risico willen nemen, in ruil voor een minder uitgebreide tumoroperatie. Dan zou je het volgens de uitkomstindicator niet goed hebben gedaan, terwijl je juist naar de patiënt hebt geluisterd.’
    Het tegenovergestelde is waar. Dan zou je het volgens de procesindicator niet goed hebben gedaan (tumorresectie i.p.v. borstamputatie), maar volgens een belangrijke uitkomstindicator juist wel (hoge patiënttevredenheid). Ook mag dhr. Kimpen de — zoals hij het beschrijft zeer terechte — frustratie over de HSMR niet doortrekken naar uitkomstindicatoren in hun algemeenheid.
    Het is wel zo dat men zich inderdaad niet blind moet staren op PROMs. Sterker nog, er zijn omstandigheden waar die niet gebruikt kúnnen worden, en omstandigheden waar ziektelastmeting (naast patiënttevredenheid de andere principiële PROM) niet fair, nuttig of werkbaar is. Maar op andere gebieden zijn PROM’s de enige betrouwbare performance-indicator, zijn procesindicatoren nietszeggend of niet voorhanden en gaan die er ook niet komen.
    Voor wanneer/waar wel en niet, en wat voor andere principiële indicatoren men aanvullend zou moeten gebruiken, zie http://www.gezondezorg.org/performance-assessment. Het is allemaal echt niet zo moeilijk. Als men maar even een minuut of wat de tijd neemt om de zaken door te nemen.

  4. ‘Als we heel goed op het proces focussen, komt het resultaat waarschijnlijk vanzelf’.
    Dit in mijn ogen achterhaalde standpunt is juist de oorzaak dat veel zorgverleners en patiënten zich niet herkennen in in de gehanteerde kwaliteitscriteria. Mijn ervaring in met name de eerste lijns paramedische zorg wijst op veel onbegrip bij zowel zorgverlener als patiënt voor de in hun ogen overdreven aandacht voor het proces en de administratieve druk die dat met zich mee brengt. Tijd die naar het gevoel van zowel zorgverlener als patiënt beter had kunnen worden besteed aan de behandeling.
    Het uitvragen van PROMS kan daarbij rekenen op meer bijval aangezien zowel de zorgverlener als patiënt het gevoel hebben dat dit relevante vragen zijn, het gaat immers om het effect van het handelen en de wijze waarop de patiënt dit ervaart.

  5. Ik ben het geheel eens met de reactie van ‘Ericp’ (eerste reactie op dit bericht). Juist het argument over borstkanker geeft aan dat goede PROMs nodig zijn. Het gaat allemaal om inzicht te krijgen in het leveren van goede kwaliteit van zorg. Maar als je dat wil gaan kwantificeren loop je er tegen aan: wat is goede kwaliteit? Een hogere kans op overleven of een goede kwaliteit van leven en dan wellicht kans op sneller overlijden. Vanuit welk perspectief is iets goede kwaliteit? Uiteindelijk gaat het er om dat de patiënt zich beter voelt en dat is niet altijd wat de medische wereld verstaat onder beter maken. Juist daarom is het nodig dat er wel verschillende sets zijn. Procesindicatoren die met name zorgen voor veilige processen, medische uitkomsten én PROMs (goede PROMs die echt aangeven hoe het met de patiënt gaat). Dat alles bij elkaar geeft een indicatie van kwaliteit, maar kan nooit op zichzelf staan. Er zal altijd ruimte voor nader onderzoek of toelichting mogelijk moeten zijn.

  6. @ Rob:
    Ik zou zeker niet zo ver willen gaan om de rol van het hele Kwaliteitsinstituut ter discussie stellen. Een landelijk centraal punt waar de richtlijnen, structuur- en procesindicatoren (SEP-indicatoren) en de uitkomstmeetinstrumenten verzameld worden vind ik een zeer waardevol goed. En het instituut kan nog veel meer betekenen.
    Maar het wordt wel tijd om de vraag te stellen of dhr. Kimpen wel de juiste persoon is om de Adviescommissie Kwaliteit voor te zitten. Voor die rol is het kunnen bepalen wanneer uitkomstindicatoren wel en niet ingezet zouden moeten worden een vereiste basiscompetentie.
    Dhr. Kimpen gaat daarentegen van het ene uiterste in het andere. Eerst waren SEP-indicatoren onzin (http://www.skipr.nl/blogs/id1524-indicatoren-stop-met-onzin-uitvraag-.html), nu stelt hij: ‘Als we heel goed op het proces focussen, komt het resultaat waarschijnlijk vanzelf.’
    Zijn frustratie over het enorme woud aan — ongevalideerde — SEP-indicatoren was zeer begrijpelijk. Maar nu pleit hij de laatste tijd juist weer gepassioneerd vóór die indicatoren, onderwijl uitkomstindicatoren in twijfel trekkende. En alleen maar omdat de HSMR inaccuraat is, i.c. niet corrigeert voor confounders? Dat kan niet.
    Overigens is Diana Delnoij de voorzitter van het Kwaliteitsinstituut, dat onderdeel is (geworden) van het Zorginstituut Nederland. Dat is de nieuwe naam van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), waarvan Arnold Moerkamp de voorzitter is.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.